HrMs de Ruyter.29 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.29

WILLEM GELENS 5

DE SCHEEPSBAND VAN DE "ROTTERDAM"                                 

Zoals vele schepen had ook de Rotterdam een scheepsband alhoewel ik mij niet kan herinneren dat ik ze ooit heb horen spelen. Misschien is het nu volgende verhaaltje daar debet aan.
De band stond onder leiding van de sergeant van de mariniers.
Om tenminste bij een paar mensen in een goed blaadje te komen sloofde hij zich uit tot en met
De band bestond uit eerste - tweede en derde klassers. Voor zijn doel niet bepaald zwaar geschut. Wat er wel een gevolg van was, door hun "vriendschap " met deze sergeant stelden zij zich boven hun maten en zij trachten dit uit te buiten.
Een van de bandleden was zeuntje en had dus alles met mij te maken. Op een morgen miste ik hem langere tijd en ik vroeg aan de andere zeuntjes of zij wisten waar hij was. Dat wisten zij, hij was zich aan het omkleden want hij ging met de muziek de wal op, reperteren voor de een of andere gelegenheid en dit onder leiding van de sergeant. Waarschijnlijk was hij door een van de jongens gewaarschuwd want even later kwam hij boven. Ik vroeg aan hem wat hij dacht te gaan doen, het antwoord wist ik dus al maar ik wilde weten op welke manier hij het zou vertellen. Hij zou graag gezegd hebben dat het mij geen ene flikker aanging maar zover durfde hij niet te gaan. Toen ik hem vroeg of het normaal was dat hij zonder iets te zeggen dacht weg te kunnen gaan. De sergeant van de mariniers wist ervan zei hij. Ook deze sergeant had mij in moeten lichten wat er aan de hand was ergens was hij als onderofficier beneden schip mijn directe chef. Ik voelde mij verplicht om actie te nemen , ik nam dit niet, niet van de marinier en niet van de zeun. Ik vertelde de zeun zich meteen te gaan omkleden in zijn werk pak en binnen 5 minuten in het cafetaria te zijn. Wat ik verwachte gebeurde, hij ging eerst naar de marinier om deze te vertellen wat er aan de hand was - had ie gelijk in - Natuurlijk kwam deze sergeant naar mij toe met de zeun achter zich aan. Hij vroeg wat ik in mijn hoofd haalde om een order van hem ongedaan te maken. Intussen was er publiek bij gekomen waaronder mijn maat Kees en ook Joop Rooze. Deze twee stonden met elkaar te smoezen en Kees ging weg om even later
met de schipper terug te komen DE schipper was dus al enigszins ingelicht.
Hij vroeg aan de sergeant welke de moeilijkheden waren en deze gaf zijn versie van het gebeuren. Zij moesten reperteren aan de wal bij een van de Nederlanders thuis om te spelen op een avondje van de Nederlandse club. De schipper was hier van op de hoogte, hij was wel ingelicht, door de eerste officier. Hij vroeg aan mij of ik er bezwaar tegen had en toen vertelde ik hem wat er precies gebeurd was, o.a. dat de o.off. benedenschip, de sergeant van de mariniers mij niet had ingelicht en dat de zeun zonder iets tegen mij te zeggen aan zijn knieen getrokken was en dat ik hem de opdracht had gegeven om zich om te kleden in zijn werkpak
De schipper zag de zeun nog steeds in zijn passagiers uniform staan en vroeg hem waarom hij zich nog niet omgekleed had want daarvoor had ik hem opdracht gegeven. Hij gaf mij de opdracht om de zeun te rapporteren.
Tegen de sergeant zei jij, zorg ervoor dat er niemand van de band de wal op gaat en dat ze zich nu omkleden en aan hun werk gaan. Als dat gebeurd is kom je bij mij. Ik licht de eerste officier wel in. Wat er zich tussen die twee afspeelde weet ik niet maar wel weet ik dat ik niet graag in de schoenen van de sergeant had willen staan.
Ik hoorde dat de schipper de sergeant had gewaarschuwd om mij niet te gaan lopen zoeken wat deze wel deed natuurlijk en dat was al heel gauw.
Kwartiermeester kom eens gauw kijken, het was een van de mensen uit de zoutwaterhoek die dit zei. Ik liep met hem me naar het cafetaria en hij wees naar de "opschep balie" (hier wordt o.a. het eten opgeschept) met de vinger op zijn mond opdat ik mijn kop zou houden.
Achter de balie lag de sergeant van de mariniers op zijn buik op dek onder de balie te schijnen met een staaflamp. Het scheen dat hij eindelijk zijn taak als o.off. benedenschip ernstig te gaan nemen maar ik vermoedde dat het meer was om mij een hak te zetten.
Op de balie stond een pul met water wat de zeuntjes gebruikt hadden om af te wassen. Zoals normaal, was dit water vies en vet. Ik gooide de balie om over hem heen met het gevolg dat hij niet alleen het water maar ook de metalen pul over zich heen kreeg. Het gevolg was een hoop vloeken en tieren en ik ging achter de balie kijken. Ik kon het niet laten, toen ik hem zo zeiknat op de grond zag liggen. Ik begon hard te lachen en vroeg hem wat er aan de hand was en of het onder de balie wel schoon was. Nou hij toch op de grond lag kon hij best even kijken. Heb jij die pul met water omgegooid vroeg hij. Ik zeg ja, dat heb ik gedaan want ik viel en stootte tegen die pul die omflikkerde. Bovendien zei ik er bij, had ik niet verwacht dat de sergeant van de mariniers achter de balie op zijn buik zou liggen.
Ik kreeg meteen bijval van alle kanten zoals, natuurlijk heeft de kwartiermeester dit niet met opzet gedaan. Hij viel om en precies tegen de pul met afwaswater. Een van de zeuntjes zei, niks aan de hand ik ga wel even nieuw sop maken want dit was toch erg smerig.
De sergeant had denk ik wel door dat er bij de blauwe marine voor hem geen plaats was.
.
Toen beging de marinier de grootste fout van zijn leven

o..a. Kees en ik sliepen in het kleine verblijf aan bakboord onder de bottelarij. Ook in scheepstijd pakten we daar wel eens vlug een biertje. Op zee was het luik altijd dicht en je kon alleen door het mangat naar beneden of naar boven. Ook kon men ons van boven af niet zien. Het was dus volkomen veilig.
Op een dag, we zaten weer eens gezellig te ouwehoeren Kees en ik, hoorden we de stem van de sergeant van de mariniers en we konden uit het gesprek opmaken dat hij stond te praten met een paar leden van de scheeps band en we wisten niet wat we hoorden. Hij stond deze mensen min of meer te smeken om “slechte” dingen over de schipper en mij aan de weet te komen,want wij met z'n tweeen waren er de schuld aan dat de band niet op kon treden. Als hij genoeg wist zou hij ons wel een oor aannaaien.
Dat hij de pest aan ons had kon ik mij indenken, ook al was dat volledig zijn eigen schuld. Dat hij ons trachtte te naaien via de ruggen van een paar derde klassers was een grote luizen streek. Als hij in staat was om zo'n 4 á 5 personen een beklag tegen ons in te laten dienen dan zou dit toch kwalijke gevolgen kunnen hebben. Iedereen doet wel eens iets tegen de regels, zelfs de schipper, Jan de Nooier, alhoewel je in zijn geval wel van heel goeie huize moest komen om een fout te provoceren.
Ik was gewaarschuwd maar de schipper niet en Kees en ik hebben er lang over zitten praten wat we moesten doen, hem wel of niet inlichten. Wij beiden hadden de schipper leren kennen als een goudeerlijke vent waar je ook nog een bierje mee kon gaan drinken. Uiteindelijk was hetgeen wij wilden gaan doen niet meer of minder als iemand verlinken. We besloten de schipper in te lichten want , redeneerden we, er zou niemand verlinkt worden, er werden kloten geklaard en wel die van de schipper en mijzelf.
Het was een uur of zes in de middag dat we naar zijn hut gingen. Na ons kloppen liet hij ons binnenkomen met de woorden waaraan heb ik dit bezoek te danken.
Kees en ik keken elkaar aan en wisten niet hoe we moesten beginnen. De schipper zag dat we het moeilijk hadden en zei, als we nou eens eerst een borrel nemen en werkelijk, het hielp. Weet niet of het de borrel was of het gebaar. Zal het laatste geweest zijn want aan borrels waren we gewend.
We vertelden hem het hele verhaal en het ging steeds gemakkelijker, ook al omdat hij ons steeds weer een borrel inschonk.
Toen we uitgesproken waren begreep hij dat het voor ons toch wel moeilijk geweest was maar dat hij er erg dankbaar voor was. Hij zei dat hij waarschijnlijk, nu hij gewaarschuwd was de zaak wel in de hand kon houden en zijn maatregelen nemen . ook vroeg hij of hij in geval van uiterste noodzaak namen kon noemen.
Natuurlijk gingen we daarmee accoord ook al omdat we van te voren wisten dat het zover zou kunnen komen.
Ik kreeg meteen te horen dat ik met ingang van de volgende dag afgelost werd als provoost. Hij vond het wel jammer maar het was om de sergeant de wind uit de zeilen te nemen, het risico voor mij werd te groot.
De volgende morgen gaf ik de zaak over aan mijn aflosser, een jonge kwartiermeester die het niet gemakkelijk zou hebben.
Ik kreeg de leiding over de “ krakploeg” die hij op ditzelfde moment en in navolging van de kruisers in het leven had geroepen. Voor hen die het niet weten, een krakploeg bestaat (in dit geval) uit vier man met inbegrip van een kwartiermeester. Op de kruisers had een bootsman de leiding. Het werk bestond uit alle, meer speciale werkzaamheden zoals olie laden en het werken met lasten verder eigenlijk al het werk wat met zeemanschap te maken had. Het is een beetje moeilijk te omschrijven maar het was een kolfje naar mijn hand.
Ik kon zelf de vier matrozen uitzoeken en die kwamen vanzelfsprekend uit de zoutwaterhoek. Zij kenden mij en ik wist wat ik aan hen had.

WE GINGEN WEER NAAR ZEE, GELUKKIG!!

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu