HrMs de Ruyter.38 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.38

WILLEM GELENS 5

EINDELIJK                                                                                    

Eindelijk werd mijn verzoek tot overplaatsing ingewilligd. Ik was blij dat ik ging en velen op de "Soemba" dachten er net zo over.
Ik werd geplaatst op de Hertog Hendrik maar dit was meestal een doorgangs plaatsing hetgeen ook in mijn geval zo was. Ik werd tewerk gesteld op de "Overijssel" Diit schip was tijdelijk opgelegd en naar ik hoopte voor korte tijd. Mijn taak was het controleren van alle lucht apperatuur waaronder het belachelijk kleine beetje duik materiaal. Het zag er allemaal slecht uit en ik diende ik weet niet hoeveel verzoeken in voor vernieuwing en of spullen om de zaak te kunnen overhalen.
Ik kreeg geen respons op deze verzoeken en dat klopt want 5 weken later werd ik weer overgeplaatst, nu naar de "van Galen". Dit was een van de nieuwe fregatten, ik geloof van de Leander klasse.Ik vond het geen mooi schip zelfs niet vergeleken met de ouwe fregatten van de van Ewijck klasse. Het was een varende plaatsing en dat maakte het voor mij een mooi schip.
Een ding moet gezegd worden, de accomodatie was veel beter dan wat ik tot nu toe had meegemaakt. Vaste tampatjes met daaraan zelfs een waszak en bovendien een leeslamp. In de waszak paste ongeveer een grote zakdoek en de leeslampen waren al heel gauw naar de verdommenis geholpen. Het was niet bepaald prettig als de een of andere boeren nachtgast zo'n zoeklicht in je bakkes liet schijnen als je even probeerde te slapen vóór je er uit moest om b.v. de hondewacht te lopen.
Met een paar man hadden we al gauw een korporaals verblijf georganiseerd. Dit was in mijn geval niet omdat ik liever bij collegas sliep maar er lagen maar acht man in zo'n hut en dezen liepen allemaal de wacht en dus was het altijd betrekkelijk rustig als je op zee zat.
Van de overige kwartiermeesters kan ik er mij twee nog goed herinneren, dat waren Frans van Es en Andre Bimmel of wel Bimmel Bimmel zoals hij genoemd werd (Andre zei alles twee maal)
Van de overige bemannings leden weet ik geen namen meer, ook niet van de schipper of bootsman, commandant of eerste officier.De bootsman en de eerste officier waren lui waarmee je door een deur kon. De schipper was een van hen die vanuit b.v. Hilversum of van de Soemba op de vloot geplaatst werden
i.v.m. Eventuele bevordering moesten ze een tijd dienst doen als chef der Equipage op een echt schip. Als je dan als bootsman of kwartiermeester aan boord zat was je genaaid. De meesten van die lui wisten weinig of niets van alle zaken die zich aan boorde afspeelden.Een goeie chef der equipage moet een hoop dingen weten en kunnen. Die wij hadden wist niets en hing volkomen af van zijn bootsman en kwartiermeesters.
Als wij bij hem moeste komen, in zijn hut dan wisten we dat we olie gingen laden of lasten overgeven, beide zaken op zee. Afhankelijk van het aantal borrels die hij inschonk wisten wij of hij er een beetje of niets van wist.
Bij weinig borrels wist hij iets, bij veel helemaal niets. Meestal zopen we ons te pletter. Dit is geen prettig werken. Minder prettig voor hem was, de eerste officier wist wél alles en had ook alles door. Als hij trachtte om iets af te schuiven op ons dan zei de eerste man tegen hem, schipper dit is jouw taak, jiij moet het weten.
Buiten dat hij niets wist was hij bovendien geen prettig mens. Hij was een typisch produkt van al zijn walplaatsingen waar hij ongestraft en zelfs aangemoedigd de mensen kon koeieneren.
e.e.a. Hield in dat wij kwartiermeesters in alles nauw samenwerkten, we moesten als het ware een blok vormen tegen de schipper voor het geval er door zijn fouten iets mis liep. Hij zou altijd proberen het op ons of een van ons af te schuiven zoals ik al eerder zei.De eerste officier had hem door maar was niet overal bij aanwezig.
Andre had voor ons een tafeltje van vier personen gereserveerd voor tijdens het schaften en 's avonds bij het bier drinken. Wij konden goed met iedereen overweg en "onze" tafel werd gerespecteerd door de overige mensen.
's Maandags was als goeie gewoonte erwtensoep en nasi goreng. Iedere kopk had zo ongeveer zijn eigen recept.Het zou later veranderen maar onze kok maakte goeie erwtensoep. Hij trok de soep van varkenspoten,


heel veel varkenspoten. Tegen schaftens tijd haalde André een werkelijk héél grote pul van deze poten, zette die op onze tafel en zat er de wacht bij te houden. Deze poten waren ons het middagschaften en ook 's avonds aten we ze weer met daarbij de ook overgebleven nasi goreng. We aten niet we vraten
Veel mensen die op het randje zweefden van wel of niet zeeziek worden zorgden ervoor dat ze niet bij ons in de buurt kwamen. Het moet dan ook geen prettig gezicht geweest zijn voor de "fijn besnaarden" deze tafel afgeladen met vettig gesluns met daar tussen in een hoop afgekloven botjes. Het was heerlijk!!
Ik heb me suf gepiekerd maar om de een of andere reden doken we weinig geloof ik. Weet echt niet meer waarom dit was want normaal gesproken doken we op zijn minst onze zakcenten bij elkaar om goed te kunnen stappen. Op de een of andere manier zullen we tegengewerkt zijn denk ik.
Ook weet ik alleen nog dat ik Frans als duiker had, wie de ander of anderen waren, als ze er al waren weet ik niet meer en ook daaruit blijkt dat het duiken op een laag pitje stond.
De eerste officier was een man apart. Hij was dezelfde die ook al op de van Galen zat tijdens de Expo in Motreal, Canada. De man waarbij iedereen moest proef zingen en die met zijn sabel een lel op de motorkap van een auto gaf (zie het verhaaltje over de Rotterdam tijdens de Expo)
Deze man kwam als je hem net kende nogal raar over maar na verloop van tijd veranderde dat totaal. Had voor iedereen een goed woor en sprak met iedereen. Als het nodig was gaf hij ook iedereen op hun lazerij.Bij feestjes in het dagverblaf bij de bemanning was hij vaak de kachel aanmaker en ook was hij vaak degeen die deze feestjes organiseerde. Hij was van harte welkom op de feesten en dat bij iedereen, iets wat je niet veel meemaakte.
De commandant daarentegen was het tegenovergestelde van de eerste man. Dat hij bestond wist je uit allerlei onzinnige bekendmakingen op het publikatie bord. Deze bekendmakingen waren in de trant van dat je op zee ook bij windkracht 8 á 9 je pet op moest hebben daarvoor zat er een stormbandje aan.Ook dat je op zee best gepoetste schoenen kon hebben, De grote lul.
Je liep de hele dag met zeiknatte poten.et was dan ook niet raar dat niemand zich hier iets van aantrok behalve enkele idioten zoals de schipper.Het leek erop dat ook de eerste officier met deze bekendmakingen zijn kont afveegde. Heb hem nooit een opmerking horen maken als iemand met slecht weer zonder pet liep of dat iemand met, door het zoute water wit uitgebeten schoenen rondliep. Wel had de schipper opmerkingen tegen ons de kwartiermeesters, als we zonder pet liepen. Hij dreef de zaak zover op de spits dat wij hem tegen gingen werken. Als hij met een bepaalde oefening een order gaf waarvan wij wisten dat het niet klopte dan gaven wij openlijk een tegen order. Het kwam zover dat de matrozen ons aankeken als hij een order gaf, dit om een tegenorder af te wachten. De schipper was te onzeker van zijn capaciteiten om hier tegenin te gaan. Ook gingen we niet meer naar zijn hut om met hem iets te bespreken, we  hadden zijn borrel niet nodig. Hij vroeg mij waarom we niet kwamen als hij ons vroeg en ik zei hem dat we geen tijd hadden om hem te helpen om dat we onze schoenen moesten poetsen en petkapjes wassen en dat we wel wisten wat we moesten doen, wij kenden onze taak.
We gingen naar de “Stanaflorant” zo heette dat toen geloof ik. Het was voor mij de derde keer en ik wist dus waarin we terecht kwamen. Ook wist ik waar we, als we de wal op gingen na tien uur 's avonds nog drank konden krijgen en ook wist ik voor de liefhebbers waar de wilde wijven zaten.
Tijdens de zes weken durende oefeningen had je overigens niet veel zin en tijd om de wal op te gaan. We maakten op zee lange dagen met onze zeewachten die de machinisten en het dekspersoneel altijd liepen maar nu kwamen er ook allerlei oefeningen bij.
Het was maart of april dus veel slecht weer en we liepen de hele dag zeiknat rond. We hadden oliegoed en laarzen aan boord maar het olie goed was van een dusdanige snit dat je er niet mee kon werken. Dat was alleen geschijkt om aan te trekken en dan doodstil te blijven staan De laarzen ware O.K. maar alleen als je oliegoed aan had want anders liepen ze vol Het was zogezegd “armoe” Als je de gelegenheid had dan ging je eten en had werkelijk een warme en goeie hap nodig. Dat laatste mankeerde er de laatste tijd aan en de bemanning begon te kankeren en dat slaat absoluut terug op de kwaliteit van het werk en de zin daarin.
Ook de 8 uurs hap' s avonds werd steeds slechter Op den duur was het een oudbakken sandwich met daar tussen beleg wat door niemand herkend werd en zeker niet aan de smaak
Ik kon het niet laten en stapte het kombuis binnen waar de korporaal (chef kok ) met rauwe aardappelen zat te spelen, tenminste daar leek het op, wat hij werkelijk deed was figuurtjes snijden uit de aardappelen, scheepjes e.d. Ik vroeg hem waarvoor dat was zei hij dit worden gebakken aardappels voor de commandant die vindt hij erg lekker en hij vindt die figuurtjes zo leuk.  Vroeg aan hem met een onschuldig gezicht dat is zeker wel heel veel werk Ja, dat was het maar hij deed het graag. De overige officieren kregen ook wel gebakken aard appeltjes maar daar maakte hij geen figuurtjes voor. Hij bracht hoogstpesoonlijk deze figuurtjes naar de ouwe, daar mocht de hofmeester zich niet in mengen, die mocht niet tussen hem en zijn commandantje komen
Ik zeg tegen hem, je bent een verrotte slijmbal. Weet die ouwe wel dat wij, de bemmanning zo slecht te vreten krijgen? Natuurlijk was het eten niet slecht, dat zeiden de commandant en de schipper altijd als ze een proefbordje kregen was zijn antwoord.
Ik riep een paar jongens van mijn zeewacht divisie en vroeg hen hun mening te geven. Dat deden zij met de woorden een “Jan” waardig
Het was kolere vreten.
Ik sprak erover met mijn collegas en ook bij hen op de wachtdivisies werd geklaagd.
Ik was van plan om een beklag in te dienen en moest daarvoor sterk in mijn schoenen staan omdat het bekag tegen de lieveling van de commandant was.Ik lichte de bootsman ijn over deze zaak en die zei dat er ook in de gouden bal bij de onderofficieren geklaagd werd maar de schipper verdomde het om enige actie te nemen
Ik ben daarop via de bootsman naar de eerste officier gestapt en heb de zaak uitgelegd, niet alleen over het slechte eten maar ook vertelde ik hem over de “scheepjes” aardappelen voor de commandant.Hij vroeg , mag de commandant van jouw geen gebakken scheepjes eten waarop ik hem antwoorde, natuurlijk mag hij dat maar ik kom op voor de Jannen, goed eten is bij de marine normaal maar zij hebben het harder nodig als hij. Ik was bang dat ik te ver ging maar nee, dat was niet zo.De eerste man nam onmiddellijk actie. Hij ondervroeg mensen uit alle lagen. Van de mensen op de zeewachtdivisies aan dek wist ik de mening al  maar ook de mening van de machinisten  was ik zeker van. Die hadden ook geen moeite om wanneer nodig hun kop open te doen.
Het gevolg van het onderzoek was dat er met spoed een sergeant kok aan boord geplaatst  en de korporaal min of meer onder curatele gesteld. Toen we terugkwamen in Nederland ging hij van boord. Heb de klootzak nooit terug gezien.
Het eten was weer goed, zoals we bij de marine gewend waren.
Het weer was bar en boos, en we liepen de zeewacht vanaf, ik geloof de noodbrug. Het was tevens verduisterd varen en ik viel over een opstand aan dek. Gevolg hiervan een handjevol gekneusde ribben. Daar ga je niet dood van maar op zo'n moment zou je willen dat het zo was.
De dokter dacht dat ik ook iets gebroken had en nam mij op in de ziekenboeg. Later bleek dat ik ook nog een gescheurd schouderblad had. Het kon niet op.
Ik miste een paar oefeningen maar wat erger was, ik miste ook een van de weinige weekenden die we binnenlagen en kon dus niet de wal op om de beest uit te hangen.
We slaagden voor de oefeningen en waren nu in staat om de vijand dood te maken.
Het laatste weekend dat we in Portland lagen werd er onder leiding van de eerste officier een feest gebouwd. Hij had een hoop dames uitgenodigd het waren over het algemen meisjes van verschillende krijgsmachtonderdelen. Met de Engelsen is goed feest te vieren en ook met de dames. Het werd een gezellig “samenzijn”. Toen nagenoeg iedereen op dek lag en het feest begon dood te bloeden werden we met een paar man uitgenodigd door enkele dames om het feest aan het strand voort te zetten. Een beach party. Dit hebben we gedaan. De drank namen we mee van boord en het werd een waardige afsluiting van de Stanaflorant. Ook hier slaagden we voor.
Na binnenkomst in den Helder werd ik overgeplaatst, de bootsman opleiding in. Het werd dus een ernstige zaak en ik moest op mijn tellen gaan passen.
Zie jullie terug op de SCHOOFF (school voor scheeps onder officieren)

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu