HrMs de Ruyter.40 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.40

WILLEM GELENS 5

OPLEIDING BOOTSMAN

Ik werd overgeplaatst naar de marinekazerne Willemsoord. Dit was waar wij in de rol liepen en dat was alles wat we daar mee te maken hadden. Weet niet meer of we de wacht meeliepen, misschien werd er terecht aangenomen dat wij wisten hoe je wacht moest lopen, we hadden het allemaal erg vaak gedaan.
Het enige wat we op deze kazerne deden was middagschaften hetgeen erg goed was. We werden met de schouw gebracht en na het eten weer gehaald. Bij alles moest je afmarcheren. Gewoon lopen werd door de "stomme burgers" gedaan, wij waren soldaten, wij liepen ongewoon.
Ieder week had er een van ons de beurt als klasoudste en moest met de klas afmarcheren e.d, in het kort je had boter op je hoofd want we wisten dat we in de gaten gehouden werden en door sommige figuren zelfs met een verrekijker. Dezen konden je dan later precies vertellen wat er fout gedaan was, iets goeds deed je vanzelfspreken nooit.
We hadden onderling afgesproken om als klasoudste zo nu en dan flink de militair uit te hangen. Dit militair zijn hield voor ons in, hard schreeuwen en de hele klas op zijn flikker te geven. Iedereen was tevreden.Toch werd er niet al te zwaar getild aan de militaire comedie, ook niet door de instructeurs of hoofden van opleiding.
Het hoofd van opleiding was Ltz.1 Zandhuizen, een goeie vent die we weinig zagen en die nagenoeg alles overliet aan de chef van de instructeurs. Dit kon hij met een gerust hart doen want deze chef was Jan de Nooier, iemand waar ik al veel over verteld heb. Ik was hier blij mee want ik was er van overtuigd dat we een eerlijke behandeling kregen en dat wanneer we slaagden onszelf ook bootsman konden noemen, maar ook wist ik dat je alles moest weten en overal een antwoord op hebben. We kregen het niet voor niets.
Onze instructeurs waren schipper Verhagen en bootsman Willem van Arkel. De schipper was meer de man van de theorie en de bootsman van de praktijk. Ik kende Willem al van de "Rotterdam" waar we stapmaten waren maar hier lagen de zaken anders. We konden elkaar niet op de schouder slaan of te joviaal worden. Ik begreep dit en er was geen vuiltje aan de lucht, het was een spelletje. Na de opleiding veranderde dit alles weer.
De schipper Verhagen had ik nooit meegemaakt. Was ook een best mens. Hij probeerde wel eens de militair uit te hangen maar kwam dan een beetje belachelijk over.
We hadden allemaal een behoorlijk aantal jaren als matroos en kwartiemeester meegelopen en gingen er van uit dat we zo ongeveer alles wisten. Deze gedachten moest je voor je eigen bestwil zo snel mogelijk opzij zetten en dit vooral voor wat betreft de theorie.
Ons -toekomstig verstand- zat in de boeken en dan vooral de delen 1 en 2 van Zeemansschap , het boek zee en luchtvaartkunde en in de boekjes "BAR" en "ZAR"" ofwel het Binnen Aanvarings Reglement en het Zee Aanvarings Reglement. Je moest werkelijk alles weten wat er in die boeken stond want je had er geen idee van welke vragen gesteld zouden worden.Ook had tijdens de tentamens of examens iedere een andere vragenlijst
Ik ga hier niet verder over uitwijden want jullie zitten niet in de bootsman opleiding, die 7 maanden duurde en op een paar dingen na niets te maken had met de kwartiermeester opleiding.
De navigatie werd ons erin gestampt op, ik meen de Abraham v.d. Hust. Dit hield in het maken van o.a. plaatsbepalingen d.m.v. alle bestaande peilingen. We kregen de volledige kust navigatie en waren na de opleiding geschikt voor stuurman op de kleine vaart.
Het nu volgende had niets te maken met de bootsman opleiding maar de gevolgen zoveel te meer.
Het was in de "feestmaand" december en ook op het ziekenhuis waar mijn vrouw werkte als hoofd civile dienst werd er een feest gegeven door haar georganiseerd en ik kon er dus niet onderuit. Zij organiseerde dit soort dingen perfect.
Ondanks dat het een feest van burgers was werd het toch gezellig.
Het was binnen bloedheet en ik besloot een beetje frisse lucht te halen. Ik had natuurlijk het
een en ander gedronken maar was verre van dronken maar toen ik buiten kwam, het was 12  graden onder nul, sloeg het in mijn kop .Ik was op slag dronken.
Ook de chef kok kwam naar buiten. Deze vent werkte normaal gesproken al op mijn zenuwen maar nu helemaal. Ik besloot om een stuk te gaan rijden met de auto stapte in en gelijktijdig met mij stapte ook de kok in. Ik wilde geen moeilijkheden maken omdat het een feest van het ziekenhuis was en mijn vrouw het georganiseerd had dus liet ik hem zitten. Zette de wagen in de eerste versnelling maar toen ik op wilde trekken gebeurde er niets, de kok had hem weer in zijn vrijloop gezet. Dit herhaalde zich een paar maal. Hij wilde niet dat ik ging rijden want ik was dronken. Hij had gelijk maar wie was hij om dat uit te maken? Een burger die een aanstaand bootsman vertelde dat ie dronken was en niet meer mocht auto rijden. Ik waarschuwde hem om niet meer met z'n poten aan de versnelling te komen maar hij deed het weer waarop ik hem uit de wagen trok en hem een klap voor zijn  rotkop gaf.
Hij viel in de struiken en ik ging achter hem aan waar we nog een tijdje lagen te slaan en trappen. We maakten waarschijnlijk een hoop lawaai want er waren enkele toeschouwers op komen dagen, mensen die ook op het feest waren. Ik kreeg er genoeg van stapte in de auto en reed weg richting Huisduinen. Ik kwam niet ver, na een meter of vijfentwintig moest ik over een brug  slipte op de oprit daar van, die vol ijs lag, en knalde tegen een lantaarnpaal.
De rest weet ik van horen zeggen want ik raakte bewustloos. De volgede dag ergens in de morgen werd ik wakker en mijn vrouw zat naast het bed. Ik lag in de centrale ziekenboeg op de Buitenhaven.Zij vertelde mij wat er gebeurd was. Iemand had haar gewaarschuwd wat er aan de hand was en ook kwamen er meteen een paar doktoren bij die aanwezig waren op het feest. Ik werd door de politie, die ook geroepen waren, uit de auto gehaald wat niet zo eenvoudig was want ik zat bekneld tussen rugleuning en stuur. De aanwezige doktoren, die mij kenden via mijn vrouw, wisten van het ongeval met mijn rug op de “Rotterdam” Zij vertelden de politie dat ze mij er voorzichtig uit moesten halen. Iets wat voor onmogelijk werd gehouden gebeurde, terwijl ik bewusteloos was wilde ik toch nog op de vuist met de politie maar dat ging niet door want toen ik op wilde staan donderde ik meteen weer in elkaar, gelukkig.
Een probleem voor de politie was, ze konden niet vaststellen dat ik dronken was. Over de stoeprand kon ik niet lopen en ze mochten geen bloedproef nemen van de aanwezige doktoren.
Toen ik in de centrale ziekenboeg binnen gebracht werd wilde ik wéér op de vuist, nu met de verplegers die mij uit wilde kleden. Ik wilde niet uitgekleed worden door kerels. Dit heeft mijn vrouw toen gedaaan.Een mens zit toch maar raar in elkaar!
Er werd besloten dat ik meteen naar het hospitaal in Overveen vervoerd zou worden. Dat ik in de kreukels zat was duidelijk maar ze waren bang dat mijn rug een opsodemieter had gekregen. Ik werd een beetje opgelapt met pleisters en in de ambulance gepiekeld. Dit vervoer was een hele gebeurtenis. De chauffeur en de verpleger kregen opdracht om alle kuilen in het wegdek te vermijden. Waar dit niet mogelijk was stopte de chaufeur de wagen en trok weer heel langzaam op. Ik ben nooit in mijn leven zo zachtzinnig behandeld.
In het hospitaal werden eerst alle stukjes glas , die hoofdzakelijk in mijn bovenlichaam zaten en een paar in mijn gezicht, eruit gepulkt. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat ik een handjevol gebroken en gekeusde ribben had (alweer) en ook dat ik een zware hersenschudding had. Het kon weer niet op. Het belangrijkste was dat mijn rug geen zichtbare schade had opgelopen maar ik werd wel behangen met gewichten aan katrollen. Kon mij dus niet meer bewegen.
Ik werd op een zaaltje voor drie personen gelegd hetgeen mij eerst lekker rustig leek. Mijn linkerbuurman was een jongetje van een jaar of tien die iets met zijn bloed had .Mijn andere buurman was een oudere baas die zijn kop niet open deed, ook niet toen ik ze begroette bij binnenkomst. Vond ik nogal hatelijk tot ik wist wat er aan de hand was. Deze man lag dood te gaan hetgeen mij door de verpleegster werd verteld. Zo af en toe had hij heldere ogenblikken en dan was hij best vriendelijk. Hij was bier liefhebber en als hij om bier vroeg kreeg hij het. Dit was voor mij een teken aan de wand.. Van de drie was ik de enige die uiterlijk een beetje in de vernieling zat maar deze twee mensen waren er slecht aan toe. Ik durfde ook 'snachts niet stiekum een sigaret te roken want ik had het idee dat wanneer er een van de twee de pijp uitging ik de schuld zou krijgen.
Ik hoorde dat er op een zaal naast de onze rond de twintig lui lagen waarvan een burger en de rest van de marine en vroeg aan de hoofd verpleester of ik daar niet heen kon verhuizen. Een hoofdverpleegster is precies waarvoor ze opgeleid is, soms keihard. Zij weigerde botweg om mij over te piekelen naar de andere zaal. Ik vertelde haar dat ik dan wegging. Ze vroeg mij hoe ik dat dan wel dacht te doen want ik lag in de takels. Ik vertyelde haar om dat maar af te wachten. Het is misschien niet terecht maar ik verdomde het om met een buurman , op een halve meter afstand, te liggen die ieder moment kon uitstappen. Ik bleef dus tegen de verpleegster zeiken en zij pikte dat niet. Mijn vrouw kwam ieder middag op bezoek en nam dan uitgebakken speklappen mee, waar ik nu nog gek op ben. De hoofdverpleegster wist dit en op een middag toen ik net zo'n heerlijk ding op zat te smikkelen kwam ze binnen en werden mij de speklappen verboden. Die knarsten te veel en dat was slecht voor mijn hersenschudding. Mijn vrouw vroeg haar wat de reden was dat ze het dagenlang had toegelaten, dat het mocht en dat het nu plotseling slecht was. Geen antwoord.
De nacht hoofd verpleester was het tegenovergestelde, was een vriendelijk mens die een praatje maakte met de patienten Er was gesproken over het feit dat ik naar een andere zaal wilde en zij vroeg mij waarom. Ik vertelde het haar en ook dat ik het niet normaal vond dat het kleine kereltje daar lag in deze omstandigheden. Zij begreep het wel en de volgende ochtend, op zijn dagelijkse ronde zij de dokter dat ik naar een andere zaal ging en wel naar de “marine” zaal. Ik was gelukkig. Ook het jongetje werd verhuisd naar een andere zaal.
Toen ik een paar dagen op de andere zaal lag hoorde ik dat de man was overleden.
De zaal waar ik nu lag, nog steeds in de takels,was meer een feestzaal. Het was mij al opgevallen dat de vrouwen die op bezoek kwamen allerlei soorten vreemd kleurige fris dranken bij zich hadden die niet op maar in het nachtkastje werden gezet. Ik kreeg het door en toen mijn buurman vroeg, wil je een slok wist ik het. Het was half om half jenever en de een of andere frisdrank. Het was heerlijk en de volgende dag vroeg ik meteen aan mijn vrouw om hetzelfde mee te nemen wat ze natuurlijk deed.
's Avonds na een uur of negen kwam er nooit meer iemand op de zaal en dan hokte de hele bende die het bed uit konden in een hoek bij elkaar, “frisdrank” te drinken. Op een avond ging om een uur of tien de deur open en daar kwam het nachthoofd binnen, de vriendelijke. Zij begon het hele spul uit te maken voor een stelletje stomme dieren en nog een hoop meer.
Als we dan toch persé moesten zuipen dan moesten we een beetje handiger zijn. Het grote licht moest uit want dat zag je onder de deur door schijnen. Zuipen kon je ook bij het licht van een paar nachtlampjes.Verder moesten we aan de binnenzijde van de deur een kamerscherm neerzetten zodat wanneer iemand binnen kwam dat ding om lazerde. Voor  dat  weer overeind stond had iedereen de tijd om zijn frisdrank op te bergen.Zij wist dat het scherm er stond dus dat was geen probleem.
Ik was intussen administratief op de sociaal medische dienst in Leiden geplaatst en ging er van uit dat voor mij de bootsmanopleiding was afgelopen. Toen kreeg ik bezoek van schipper de Nooier en nog iemand, ik geloof Willem van Arkel. De schipper vertelde mij dat wanneer het niet te gek lang zou duren hij zou proberen om mij weer in de opleiding te krijgen. Hij gaf mij ook een vracht hoofdstukken op uit vooral de delen Zeemanschap. Dezen moest ik grondig leren. Dit allemaal gaf mij natuurlijk weer hoop. Ik nam alles door wat eventuele vragen konden worden en mijn vrouw overhoorde mij. Zij was minder soepel als een bootsman.
Na een tijdje werde ik uit de takels gehaald en ook mocht ik weer uitgebakken spek eten. Ik vond het nu tijd worden om te gaan zeiken dat ik het hospitaal uit wilde. De dokter vond dat het beter was als ik nog even bleef maar toen ik hem uitlegde dat ik in opleiding zat en als ik té veel tijd verspeelde alles wel kon vergeten begreep hij het. Ik wist nog steeds niet of ik wel weer in de opleiding kon komen maar het was te proberen. Ik had de dokter uit moeten leggen wat wij zo allemaal deden daar in de opleiding en uiteindelijk ging hij accoord dat ik uit het hospitaal ontslagen werd maar kreeg wel een brief mee dat roeien helemaal uit de boze was en zo ook het marcheren en nog een paar dingen. Ik werd ontslagen maar het rare was ik wist niet waar ik naar toe moest want ik liep nog steeds in de rol van de SMD te Leiden. Daar had even niemand aangedacht. Vroeg de dokter of hij de SMD wilde bellen en die lui vragen of ik meteen overgeplaatst kon worden en verdomd, het kwam voor elkaar. Moest een uurtje wachten en dan zou ik teruggebeld worden. Inderdaad gebeurde wat ik niet voor mogelijk gehouden had, ik werd gebeld en er werd mij aangezegd dat ik mij in den Helder in de centrale ziekenboeg moest melden om alles af te ronden. Ik had niets als lof voor de dokter die dat zo even tussen neus en lippen door had geregeld. Wel zei hij hetzelfde wat mij al eerder aangezegd was, voorlopig geen varende plaatsing en absoluut niet duiken. Bovendien moest ik mij geregeld melden.
Ik belde mijn vrouw of ze mij op kon komen halen en zij was er binnen  twee uur. Het was in de voor middag en ik belde eerst de centrale ziekenboeg om te vragen of het goed was dat ik mij de volgende dag melde. Dit was goed, ik kon komen wanneer ik zin had als het maar in de ochtend was.
We gingen mijn ontslag vieren met een lekker etentje en daarna naar huis.
De andere dag om een uur of negen was ik present in de ziekenboeg en er werd mij gevraagd of ik gek was om zo vroeg te komen. De dokter was al grotendeels ingelicht door zijn collega in Overveen en de rest stond in de papieren die ik meegekregen had. Hij herhaalde zo ongeveer wat mij al verteld was v.w.b. Het roeien en dergelijke en bevestigde dit op papier . Dit papier moest ik voorlopig altijd bij mij hebben voor het geval dat. Nu wist ik weer niet waar ik heen moest maar er was al in het voren gewerkt, ik moest mij melden op de kazerne Willemsoord waar mij verteld werd dat ik mij moest melden bij het hoofd opleiding Ltz.1 Zandhuizen. Ik werd daar ontvangen door Zandhuizen en schipper de Nooier die vroegen hoe het ging. Ik gaf de brief van de dokter want dan wisten ze meteen alles, ook de voorlopige beperkingen die mij opgelegd waren. Er werd mij gevraagd of ik nog iets had gedaan, of ik nog iets uit de boeken had geleerd en toen ik dat beaamde begonnen zij  met zijn tweeen vragen te stellen uit de boeken die ik al eerder noemde. Gelukkig had ik op nagenoeg alles het goede antwoord en ik moest mij melden bij schipper Verhagen, onze instructeur.
Ik zat weer in opleiding na zo'n vier á vijf weken absent te zijn geweest. Had weer mazzel gehad.

ZIE JULLIE ZO TERUG BIJ MIJN TWEEDE DEEL VAN DE BOOTSMANOPLEIDING

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu