HrMs de Ruyter.42 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.42

WILLEM GELENS 5

IN DE BAJES                                                           

Ik vond het helemaal niet erg toen het bericht kwam dat ik naar Nieuwersluis moest. Het was op 26 juni en dus zou ik weer op 10 juli op de mensheid losgelaten worden. Dit kwam mooi uit want de vakantie in Italie was besproken voor de twaalfde julie.
De reis naar Nieuwersluis mocht ik niet op eigen houtje maken, dit moest onder geleide. Ik dacht aan de MP. of marechaussee maar nee, het was onze korporaal schrijver van de Soemba, Hans v.d. Helm die deze eer had.
Hans wist niet zo goed wat hij er mee aan moest. Als ik al ideeen had om te ontsnappen dan kon hij me niet doodschieten want hij had geen wapen. Met een gummi knuppel in elkaar meppen ging ook niet want ook de knuppel had hij niet. Het enige wat hij had was een bundel papieren die hij af moest geven bij aankomst in Nieuwersluis.
De reis per trein verliep rustig en toen ik aan Hans vroeg of ik alleen mocht gaan pissen was dat accoord, hij ging zelfs het raampje in het toilet niet controleren want daar kon ik toch niet door volgens hem.
We kwamen rond het middaguur aan in Nieuwersluis, het weer was prachtig en het dorp zag er op zijn best uit. Het was de moeite waard om er op vakantie te gaan.
Vlakbij het gevang stond een kleine kroeg/restaurant en ik zei tegen Hans dat we daar maar iets moesten gaan eten.
Hans vond dit in eerste instantie niet zo'n goed idee maar toen ik hem vertelde dat ik bang was dat ik de volgende veertien dagen alleen maar te eten zou krijgen uit de spoeling ton ging hij overstag.
Na een goeie maaltijd met het nodige bier liepen we het laatst eindje naar de poort waar we al opgewacht werden door iemand met onderscheidingstekenen waarvan ik geen flikker snapte ( de enige onderscheidingstekenen die ik ooit geweten heb waren die van de marine) . De man die al dit moois op zijn mouw had bleek een opper van de marechaussee te zijn en verder stonden er nog een paar soldaten. Hans melde ons,  nogal correct vond ik met de woorden korporaal Hans v.d. Helm meldt zich met de gevangene kwartiermeester Gelens en gaf de opper de papieren.
Deze ging achter zijn bureau zitten en bekeek het hele zootje. Eerst een uittreksel uit mijn conduite boekje wat hij geloof ik wel interessant vond want hij deed er lang over Toen kwam hij bij de brief van Willem Kasteel, de srgeant ziekenverpleger. Willem had er geloof ik wel iets moois van gemaakt en inderdaad zag ik de nodige stempels staan. Het leek wel een beetje op een postzegel verzameling en het had zijn uitwerking. Een van de soldaten kreeg opdracht om naar het cellenblok te gaan waar ik een kamer gehuurd had, met de opdracht om op mijn bed een plank te leggen.
Na een tijd zij de opper tegen Hans dat hij wel kon gaan en deze deed dat dan ook, was geloof ik bang dat ze ook hem op zouden bergen.Hans vergat niet om te vragen of de opper even wilde tekenen voor de ontvangst van de gevangene.
De opper nam me mee naar mijn vakantie verblijf en onderweg begon hij een babbeltje te maken,waarin hij o..a. Vroeg hoe het met mij ging. Ik begreep de vraag niet direkt maar het bleek dat hij het over mijn rug had. Ik moest even pijlsnel denken want ik wilde het ook weer niet té gek maken maar het moest wel zó ernstig lijken dat ik niet in staat was stormbaantjes e.d. onzin te beoefenen met de kans dat ik dood zou vallen. Het lukte, ter plaatse werd ik vrijgesteld van sporten en alles wat daar mee te maken had
Toen we aankwamen in het cellen blok zaten mijn mede lotgenoten nog te schaften of waren daar net klaar mee. Ze keken een beetje raar toen ik binnen kwam en later bleek dat ik op dat moment de enige marineman was en dan nog wel een onderofficier . Die kwam je niet zo vaak tegen in Nieuwersluis. Ik moest dus ook hier de eer van de marine hooghouden en dit was iets waar ik meteen aan moest beginnen.
De hoofdbewaker in dit cellenblok was een dienstplichtig sergeant en hij had, zoals later bleek een grote hekel aan beroeps mensen. Dit alles was duidelijk aan zijn smoel te zien maar ook te merken aan zijn manier van optreden. Waarschijnlijk was het zijn bedoeling om indruk te maken op de opper en het eerste wat hij tegen me zei was, je moet je zomer uniform aan trekken. Het stomme dier wist niet beter en ik vroeg hem hoe het zomer uniform bij de marine er dan wel uitzag, daar had hij geen antwoord op maar hij zei, dan doe je je jasje maar uit waarop ik hem vertelde dat ik dat niet deed want dan kreeg ik moeilijkheden met de opper omdat ik niet model gekleed was. De opper had het een beetje aan staan horen en vertelde hem dat wij bij de marine geen zomer uniform hadden dan alleen wanneer we in de tropen zaten. Uit hufterigheid ben ik al de veertien dagen met mijn jasje aan rond blijven lopen.
Met de andere “gevangenen” was het meteen gezellig. Dit waren bijna allemaal mensen van de AAT. (aan en afvoer troepen) De meesten zaten omdat ze met drank op achter het stuur hadden gezeten of even een ommetje waren gaan maken naar huis of misschien naar de hoeren.
De volgende morgen was het appél iets wat bij mijn  club baksgewijs heette. De opper riep mij voor de groep en maakte mij, vanwege ouderdom in rang en meer van dat gezeik, de baas van het spul. Dit liep al meteen fout want ik snapte geen barst van de orders die gegeven werden en met het lopen (ik liep voorop omdat ik de grootste was) stond ik bij het halt houden een pas voor het geheel want bij ons, de marine, maakten we een pas meer. Het gevolg was dat ik dan maar achteraan moest lopen en toen gebeurde het omgekeerde, vanwege de pas méér stond ik bij het halt houden mijn voor buurman op zijn hakken. Nu was ik ook vrij van baksgewijs. Had net zo goed thuis kunnen blijven.
Onze dagtaak was het wijzigen van boekwerken. Na het ochtend baksgewijs kreeg ieder een stapel boeken met voorin een vel plakplaatjes  Volgens een bijgaand formulier moest je op pagina ....... , alinea ....... woord .......  dit of dat plaatje plakken. Als je klaar was met een boek moest je het achterin aftekenen met de datum waarop. Het begon dus inderdaad een beetje op een echte gevangenis te lijken. Als je een uur met dit werk bezig was was je er strontziek van maar we vonden er iets op waar we allemaal aan meededen op één man na. Ook dit was een dienstplichtig sergeant en deze wilde beroeps worden. Dit kon je aan alles merken, hij deed zijn best.We zijn nooit te weten gekomen hoe hij in de cel kwam. Het was een misselijk stuk vreten, en hier moest hij voor boeten. Om zo gauw mogelijk van een boek af te zijn plakten we een heel vel met plaatjes ergens midden in het boek op een pagina en tekenden het boek af met de naam van deze sergeant. Er was niemand die ons werk controleerde en dat is nu nog niet gedaan denk ik. De sergeant zag de stapels afgewerkte boeken naast ons snel groter worden en hij werkte zich te pletter om ons bij te houden, iets wat natuurlijk onmogelijk was want hij deed het wél precies volgens de voorschriften. Hij was absoluut niet populair en het leek erop of hij dat niet wilde zijn . Hij moest er voor boeten. Wat er nog bijkomt, wij vonden hem een flikker. In die tijd werkte dat nog zo, op straat werd je veel lastig gevallen door deze lui en dat nog vaker als je als jong matroosje in uniform liep. Je moest ze geregeld van je af trappen Deze sergeant moest dus gestraft worden.
Ook de sergeant die als bewaker overdag dienst deed had straf verdiend. Hij liep normale wachtdiensten mee en dat was natuurlijk als bewaker in ons blok. Op een avond spraken we met zijn allen af dat we 's nachts, op precies hetzelfde tijdstip onze cel deuren open zouden gooien. Dat kon want de deuren werden niet op slot gedaan Zoals afgesproken gingen alle deuren open.
Omdat ik de oudste was,  het beste klok kon lezen en bovendien het dichtst bij de cipier zat gaf ik de kijk. Ik kwakte de deur open (ook dat hadden we afgesproken, we zouden de deuren met veel geweld en lawaai opengooien en met een woest gezicht naar buiten komen)
Onze bedoeling lukte volkomen, het kon niet beter. De vent schrok zich lam en dacht werkelijk dat dit zijn laatste ogenblik op aarde was. We renden allemaal zijn richting uit. Hij wist niet wat hij moest doen en toen wij al bij zijn hok waren dacht hij er pas aan dat hij gewapend was. Wij stopten en keken zogenaamd stom verbaasd dat hij probeerde zijn pistool uit te pakken. Als  wij werkelijk kwaad hadden gewild was hij veel te laat geweest
Ik vroeg aan hem of hij mij dood wilde schieten omdat ik moest pissen waarop hij vroeg of we allemaal moesten pissen. De overigen beaamden dit meteen, heel toevallig moesten we allemaal tegelijkertijd en omdat de toiletten naast zijn wacht hok lagen moesten we die kant op. We zeiden tegen elkaar, hoe is het mogelijk dat we allemaal op het zelfde moment moeten pissen, we snapten er geen donder van. Hij, de sergeant, snapt het denk ik nu nog niet. Hij kende het klappen van de zweep niet.
De volgende morgen moest ik bij de opper komen die mij vroeg om met die streken te wachten tot ik weer terug bij de marine was. Ik zeg, opper bij de marine heb ik ook nog nooit meegemaakt
dat zoveel mensen tegelijkertijd moeten pissen. Ik kon gaan want ze konden ons van geen enkele kwade opzet beschuldigen. Wel waarschuwde de opper mij nog met de woorden, kwartiermeester denk er om dat de commandant hier jou zomaar een week extra kan op laten knappen als hij denkt dat het nodig is. Hij hoeft aan niemand verantwoording af te leggen.
Ik bedankte hem voor de tip.
Toen ik bij de opper vandaan kwam vroeg een van de cipiers, een korporaal van de mariniers,
of ik nu eenzame opsluiting kreeg of langer moest blijven. Waarom dan wel vroeg ik hem. Toen bleek dat het verhaal over het kamp de ronde deed, de kwartiermeester van de marine had moeilijkheden gemaakt. Ik vroeg aan hem of hij dacht dat ik dáárvoor bij de opper was geweest   en zijn antwoord was, waar anders voor zou dat geweest moeten zijn waarna ik zei dat het misschien wel heel iets anders was geweest, b.v. dat de opper mij inlichtingen gevraagd had over de cipiers. Ik heb hem niet wijzer gemaakt maar wel was het zo dat hij erg vriendelijk tegen mij was, voor zover een cipier vriendelijk kan zijn. Een ding moet ik wel zeggen, ik heb geen enkele maal gezien dat er iemand op een onbeschofte manier behandeld werd.
Mijn mede “gevangenen” moesten iedere dag, en soms meerdere malen, sporten. Dit sporten hield in dat ze zich de koorts liepen te rennen rond het sportveld en dan ter afsluiting daarvan een paar maal de stormbaan moesten nemen. Zoals gezegd was ik daarvan vrijgesteld en daar was ik blij om als ik mijn maten helemaal ellendig het cellenblok zag binnenkomen. Deze chauffeurs waren ook niet gewend aan deze waanzin.
In plaats van sporten bleef ik doorgaan met het wijzigen van die kloten boeken. Dit was allemaal niet zo erg geweest als het slecht weer was maar dat was het niet. Het weer was prachtig, iedere dag volop zon en lekker warm. Ik moest iets doen en ik kwam op een idee dat misschien zou slagen De opper kwam iedere dag een kijkje nemen en toen hij weer kwam en vroeg hoe het ging
zei ik hem dat ik graag eens wilde proberen om ook mee te sporten, een klein beetje.
Hij vond dit prachtig van mij het getuigde van een groot doorzettings vermogen en hij had er  alle respect voor. Het was ook iets wat maar weinig voorkwam. Ik geloof zelfs dat hij een beetje ontroerd was, zeker is dat ik een beetje misselijk van mij zelf begon te worden. Ik kreeg permissie om het te proberen maar ik moest hem beloven dat wanner ik dacht dat het niet ging ik aan de kant moest gaan zitten in het gras. Dit was dus wat mijn bedoeling was maar nu deed ik het met toestemming, nee meer als toestemming, ik had er een order voor gekregen.
Wat was ik blij dat ik bij de marine was, daar leerde je veel, heel veel en wel het meest belangrijke, op het juiste tijdstip en op de juiste plaats de comediant uithangen en dat op een overtuigende manier.
Toen de mensen terugkwamen van het sporten lichte ik ze in dat ik ook mee ging doen en wel, vrijwillig. Ze stonden me vol medelijden aan te kijken, die vent is gek dachten ze en dat zeiden ze ook tot ik ze vertelde wat mijn bedoeling was. Ze dachten niet dat ik het klaar zou spelen want de sportinstructeur was een honden kop, een korporaal van de mariniers. Ik zei, we zullen wel eens zien.
's Middags, nadat het spul terugkwam van baksgewijs werd ik naar buiten geroepen en voor de troep geplaatst door de opper. Hij vertelde dat ik een voorbeeld was voor allemaal. Ik lag in de kreukels maar wilde toch meedoen met het sporten, ik zette een gezicht of ik zware pijnen leed.
Bovendien, ging hij verder, was ik verreweg de oudste van het spul en hij had (weer) alle respect voor mij en dat moesten zij ook hebben. Ik hoorde allerlei gemompel uit de troep, woorden zoals comediant e.d. Daar werd ik mee bedoeld.
De instructeur was al ingelicht dat wanner ik te kennen gaf dat het te zwaar voor mij werd ik aan de kant moest gaan zitten. Ik ben nooit te weten gekomen of de opper het geintje doorhad en meespeelde omdat hij het wel een leuk spelletje speelde.
Toen we op het sportveld aankwamen kregen we de opdracht om in de looppas rond het sportveld te lopen en ik voorspelde mijn lotgenoten dat ik na hooguit vijftig meter aan de kant ging want alleen het zien van die afstand gaf me al de vreselijkste pijnen.
Terwijl we liepen kon de sportinstructeur ons niet meer horen en de opmerkingen kwamen los zoals ze trappen er nooit in en ze laten je een week langer blijven en dergelijke dingen Ik zei let maar op en toen we bijna bij de geschatte vijftig meter grens waren, een plaats waar het zonnetje volop scheen, begon ik iedere meter af te tellen tien naar 0. Toen ik bij nul was en in de zon liep ik naar de kant en zei de anderen dat ze hun best moesten doen want de marine lette op hen.
Aan de kant gekomen trok ik mijn jasje uit en ging in de zon zitten. De sportinstructeur kwam meteen aanlopen en vroeg hoe het was. Ik vertelde hem dat het niet best ging maar dat ik het later weer wilde proberen Hij gaf me de woorden in mijn mond door te zeggen, iedere dag een

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu