HrMs de Ruyter.45 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.45

WILLEM GELENS 5

Hr.Ms.DE RUYTER, TERUG AAN BOORD                                              

Het was zover ik werd door mijn vrouw en zoon naar boord gebracht. Deze twee maakten er meteen een uitstapje van want ze hadden nog verscheidene kennissen in Rotterdam.
Eerst werd ik aan boord afgezet en ik zag al van verre schipper Bansia, de chef der equipage bovenaan de valreep staan. Ik werd hartelijk door hem verwelkomd,
Hij kende mij ook nog en dat maakte de zaken gemakkelijker. Hij liet door de leerling de andere bootslui optrommelen en toen dezen voorgaats kwamen bleek het dat ik ze allemaal kende waarvan een paar heel goed. We hadden voordien met elkaar gevaren als kwartiermeester. Zij waren Bart de Ridder, Bart was mijn baksmeester geweest in de matrozen opleiding en ik had destijds niet gedacht dat ik hem ooit nog eens Bart kon noemen. Verder waren er Hein Vark - Rinus van Ginkel - Arie pluim  en Toontje Vughts. Jan Spiljard zou later nog komen als bootsman/duiker seinmeester.
Na, de in de meeste gevallen, hernieuwde kennismaking ging ik inrouleren en maakte onder andere kennis met mijn divisie chef Ltz.1 de Keizer. Hij was de navigatie officier aan boord en kwam over als een prettig mens hetgeen later ook zo bleek te zijn.
Ik kreeg een tampatje in de “82 mans hut” Bij het horen van de uitdrukking “82 mans hut” dacht ik meer aan een groot ruim waar 82 bedden in gestampt waren maar dat viel erg mee. Het was inderdaad een groot verblijf met het genoemde aanral bedden maar het was ruim. Er was een zit gedeelte en ook waren er een paar wastafels. De bedden waren ruim bemeten en twee boven elkaar. Ik had de onderkooi wat ik ook het liefste wilde.
Een ding was zeker, de zaak zag er beter,veel beter onderhouden uit als het spul op de Soemba.
Tijdens het lopen van mijn rondje kwam ik nog een bootsman tegen, Timmer, die op het punt stond werkschipper te worden. Hij deed al dienst als zodanig. Ook dit was een prettig mens wat het geval was met de meesten waarmee ik kennis  maakte. De commandant,de Lange had ik nog niet gezien maar wel hoorde ik dat dit niet zo'n prettig mens was en hij scheen iets tegen alle onderofficieren te hebben hegeen ook later zou blijken. Deze man zou de zaak behoorlijk kunnen verpesten voor iedereen. We zouden het wel zien en volgens de geleerden had ik toch al mijn hoogste rang bereikt dus voor mij maakte het allemaal niet veel uit.
De werf periode was als altijd ee rot tijd. Vooral als bootsman lag je voortdurend in de clinch met de mensen van de werf. Zij maakten, vaak met opzet, overal een puinhoop van en dan moest je via allerlei chefs die zaak laten klaren. Ook moest je uitkijken dat ze niet iets op je hersens lieten vallen of een pul verf omkeerde boven je kop. Ze waren tot alles in staat. Wel waren ze er als de kippen bij om  tijdens het schaften een hap eten te organiseren. Er waren die gewoon bij de mensen in de rij gingen staan met plate en al . Als de provoost ze er uit gooide
moest hij wel op zijn tellen passen of hi werd gepakt. Later werden er mariniers ingeschakeld om de zaak in de gaten te houden.
De baas van de werf, Verolme, was gek op de marine hetgeen te begrijpen was.
De meeste grotere marine schepen gingen naar  zijn werf voor onderhoud waar hij zonder twijfel dik aan verdiende.
Hij kwam vaak aan boord, in de longroom bij de officieren. Dit was in ieder geval op woensdag als er rijsttafel was. Hij ging dan om een uur of twee met een stuk in zijn kont van boord.
Het werd te gek toen de onderofficier van de wacht voor hem moest groeten. Deze order kwam, volgens zeggen, van de commandant, het waren inderdaad twee hele goeie maten . Het praatje ging dat Verolme goed afschoof naar bepaalde figuren.. Overigens, niemand van ons salueerde voor Verolme. Dat was iets wat zelfs een commandant niet kon afdwingen. Hij kwam meestal gelijk met een officier en nog vaker met de commandant de valreep op en dan moest je of de wel of niet wilde salueren voor de officier en salueerde ook Verolme terug. Hem werd door de bootsman die de wacht liep aangezegd dat een burger
niet voor de onderfficier van de wacht en ook niet voor de vlag salueert. Hooguit kon hij min of meer de houding aannemen en zijn kop buigen. Toen de officier van de wacht hem daarna vroeg of deze opmerking nodig was geweest was het enige wat de bootsman zei, ik heb niets met Verolme, we zijn niet in een speeltuin en ik weet hoe ik de wacht moet lopen.
Al de volgende dag kwam Verolme weer aan boord en knikte met z'n kop voor de vlag en ook voor de bootsman en werd er door een paar matrozen op het sloepen dek geauplaudiseerd en gefloten. Ik kreeg opdracht van de officier van de wacht om de daders op te sporen Ik was aangesteld als bootsman van het sloepen dek en wist zeker wie de daders waren maar heb ze natuurlijk nooit kunnen vinden. Dit was de marine tegen de burgerij en wij lieten ons niet door een burger in ons zak schijten hoe graag de commandant en verscheidene van zijn meelopers dat ook wilden.
Het schip was intussen vol bemand en gelukkig gingen we naar zee. Voor het zover was riep ik de mensen van mijn zeewacht divisie bij elkaar om eens goed kennis te maken en om ze te vertellen hoe ik wilde dat de wacht gelopen werd.
Ik had vaak genoeg de zeewacht gelopen om te weten wat, voor mij althans, de beste en enige manier was. Mijn enige manier was dat je niet bezopen de zeewacht liep en dat vanaf roerganger tot leerling de wacht gelopen werd zoals je verteld was. Er was geen enkel excuus. Wat men na de wacht deed waren mijn zaken niet. Dit waren de regels die ik altijd mijzelf had opgelegd en ik wist dat het niet overdreven was en dat iedereen zich eraan kon houden. Tijdens zo'n “onderonsje” kon je vaak al de mogelijke raddraaiers er uit halen.
Speciale aandacht had ik natuurlijk voor de beide kwartiermeesters die ik op de divisie had. Wij moesten nauw met elkaar samenwerken.
Deze beide mensen waren Theo de Haan en Piet Hoogersteger.
Groter verschil was haast niet mogelijk tussen twee mensen.
Piet deed het op de voor hem meest gemakkelijke manier, de militaire, maar zeker op zee en dan nog meer als je b.v. met slecht weer de hondewacht liep kon je dit niet waar maken. Als de mensen zich niet helemaal correct gedroegen als ze 's nachts om twaalf uur aan dek kwamen was het een van zijn gewoontes om ze aan dek te laten staan zodat ze in een minuut tijds zeiknat en tot op het bot verkleumd waren. Ik betrapte hem hier al gauw op dat hij er op deze manier een colerezooi van maakte. De eerste maal dat het voorkwam liet ik hem bij de mensen aan dek staan en toen hij in de wachthut kwam vroeg ik hem wat hij kwam doen. Hij kwam zich een beetje opwarmen waarna ik hem weer aan dek stuurde. Iemand moest de mensen in de gaten houden vertelde ik hem. Hij was het hier niet erg mee eens maar kon er niet onderuit komen.Dit was de eerste en laatste maal dat hij dit probeerde, maar hij had nog veel meer om  de mensen op een rot manier dwars te zitten.
Ik maakte het zijn taak om het wachtboek bij te houden, op die manier kon ik hem beter in de gaten houden. Hij verpeste de stemming obnder het hele wachtsvolk.
Gelukkig was Theo er nog. Die gaf ik de baan die nu niet direkt de fijnst was maar die ik aan hem toe durfde vertrouwen en wel om de volgende reden, hij was een goeie kwartiermeester voor zijn werk maar wat ook heel belangrijk was, hij kon met de mensen omgaan. Als hij iets tegen de mensen zei, ze een of ander werk opdroeg, dan werd dit gedaan zonder kankeren en het werd goed gedaan. Ik kon op Theo vertrouwen en wij werkten altijd samen.
Piet was gelukkig met zijn wacht boek, kon de hele nacht in de wachthut zitten
en daar viel weinig te verpesten. Piet was een streber. Ik vind het niet fijn dit te zeggen, maar het was nu eenmaal zo. Het was lastig werken voor Theo maar ook voor mij. Wij hadden, door ons werk en de aandacht die we aan de mensen besteedden wel de wachtdivisie die het soepelst draaide.

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu