HrMs de Ruyter.46 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.46

WILLEM GELENS 5

WEER NAAR ZEE.                                                         

Een paar dagen voor vertrek gebeurde iets wat voor mij tekenend was over de toekomst van de marine
Het feit op zich was niet zo speciaal maar de reactie van twee daarbij betrokkenen maakte het mij duidelijk dat de marine niet meer MIJN marine was.
Deze twee waren de provoost benedenschip, een korporaal en de officier van de wacht, een luitenant ter zee eerste klas, beide mensen van de verbindingsdienst.
Ik zelf had de wacht als onderofficier beneden schip.Het hierna volgende had ik nog nooit eerder meegemaakt, ook niet als kwartiermeester.
Ik stond met o.a. De officier v/d wacht te wachten op de provoost die mij moest melden dat iedereen uit zijn kooi was hetgeen ik dan weer door moest geven aan de off v/d wacht
Toen de provoost eindelijk kwam vertelde hij dat er een partijtje stokers niet uit hun kooi wilden komen, ze hadden hem gedreigd voor zijn hersens te slaan als hij bleef zeuren.De off.v/d wacht zei, toch moeten ze er uit.
Ik kreeg een beetje medelijden met de korporaal die pas een paar jaar in dienst was een misschien een week korporaal. Hij had absoluut geen ervaring De arme donder was volledig in paniek en wist niet wat te doen. Ik zei tegen hem ik ga wel met je mee en dan zullen we wel zien. Dit vond de off.v/d wacht wel een goed idee . Ik vroeg hem hoe hij dacht dat ik ze het beste uit der nest kon halen waarop ik natuurlijk geen afdoende antwoord kreeg  en ik zei tegen hem dat ik het desnoods op mijn manier zou doen en of hij daarmee accoord ging. Hij ging accoord en vroeg gelukkig niet wat eventueel mijn manier zou zijn
Ik moest mijzelf wel indekken want wat ik eventueel moest doen mocht niet volgens de krijgstucht en ik kon er zwaar door in de moeilijkheden komen, nu zou ik het met toestemming doen.
Een ding stond als een paal boven water, ze moesten der nest uit. Als me dat niet lukte kon ik beter meteen overplaatsing aanvragen om dat ik nooit geen enkel respect meer kon verwachten en dat was het einde van een pas beginnend bootsman.
Toen we het stokers verblijf binnen kwamen vroeg ik de korporaal wie de raddraaiers waren. Dit was,zoals te verwachten, een vent eentje metr een hele grote bek die altijd dwars lag. Dit maakte het voor mij gemakkelijk.
Intussen stonden alle machinisten die daar sliepen om ons heen in afwachting van wat er zou gebeuren. Ik kon op geen enkele manier meer terug.
Ik zei de vent meteen zijn nest uit te komen waarop hij zich omdraaide met de woorden, ik kom er nog niet uit want ik barst nog van de slaap. Er was maar een oplossing en dat was de oplossing waar ik al over gedacht had. Ik pakte hem bij zijn poten en draaide hem zijn nest uit.
Tijdens zijn val kon hij zich gelukkig ergens aan vast pakken anders was hij waarschijnlijk met z'n grote rot kop op dek gevallen Wel was hij eruit.
Ik stond in afwachting wat hij zou doen, hij deed niks, het schijthuis. Hij zou een beklag indienen.
Tot mijn grote verbazing werd hem aangezegd door de andere stokers dat wanneer hij dit zou doen zij hem waar zouden nemen.
De provoost kon melden dat iedereen uit de kooi was en de off.v/d wacht vroeg hoe ik het gedaan had waarop ik hem antwoorde, precies zoals ik zei, op mijn manier. De provoost kon zijn kop niet houden en vertelde uitgebreid hoe ik de vent uit zijn nest had gekregen waarop de off.v/d wacht aan mij voeg of dat nu wel nodig was geweest op deze manier. We moesten zo af en toe de teugels een beetje opvieren. Dit was, zeker in dit geval de meest domme opmerking die ik gehoord had. Aan boord van een schip kun je geen teugels vieren wat ik hem dan ook vertelde.
Hij zei, en wat nu als die vent een beklag indiend waarop ik hem vertelde dat  hij als off.v/d wacht het er volledig mee instemde toen ik hem vroeg of hij het er mee eens was als ik de vent op mijn manier zijn nest uithaalde als er geen andere mogelijkheid was.
Dat klopt zij de korporaal, waarmee hij weer een beetje in mijn achting steeg. Ik weet alleen niet of hij die opmerking bewust plaatste  In ieder geval wist de off.v/d. wacht dat hij uitgeluld was en ik wist dat ik onder de officieren in iedre geval één vijand had gemaakt.
Ik had mijzelf, voor zover nodig bekend gemaakt en heb nooit geen enkele moeilijkheden meer gehad met nagenoeg niemand.
We gingen naar zee, gelukkig. Het eerste wat beoefend werd was zoals altijd “verlaatrol”. Een goeie gewoonte was dat je zodra je ingeouleerd had ging kijken waar het vlot lag waarbij je ingedeeld was. Toen het zover was liep iedereen naar het vlot te zoeken, nagenmoeg niemand wist het. Dit gaf een hoop rotzooi.
Iedereen stond bij het vlot wat hem het beste uitkwam of waar zijn maat ook stond. Het werd overgedaan, net zo lang tot iedereen het vlot blindelings kon vinden.
Op elke zeewachtdivisie waren een hoop mensen die nog nooit zeewacht gelopen hadden . Theo en ik hadden aan hen uitgelegd wat de verschillende posten inhield en wij namen aan dat ze het wisten, hetgeen dom van ons was.
Dat zij het niet wisten was niet omdat het zo moeiljik was, het was totale ongeinteresseerdheid. Dit moest er dus uitgeramd worden. Ik gaf Piet Hoogersteger opdracht om de lui die er een puinhoop van maakten langer op post te laten staan, desnoods de hele wacht van 4 uur.(zonder koffie) In geval van de uitkijk boei, je kon niet hebben dat er iemand overboord ging zonder dat deze utkijk dat opmerkte. Ik ga niet alle wachten opnoemen maar de maatregelen die ik trof waren voor iedereen hetzelfde. Je kon hier geen spelletje mee spelen. Deze moeilijkheden waren gauw voorbij. Ik wil niet zeggen dat ze nu plotseling het verstand gebruikten maar niemand staat graag vier uur lang op het achterschip of op de bak of op een van de brugvleugels.
Een paar van de mensen die ik op de zeewachtdivisie had werkten ook bij mij op het sloependek onder leding van Theo. Het was na korte tijd zover dat ik wel de hele dag in mijn tampatje had kunnen blijven. Alle sloepen zagen eruit om door een ringetje te halen en dit niet alleen voor het schilderwerk. Ook alle lopende delen draaiden werkelijk, alles was goed ingeschoren en de takels van de Whaleboot omgekeerd.
De wachthut, die ook op zee als zodanig dienst deed lag aan bakboord in de midscheeps. De wachthut was zo'n beetje de “ziel” van het schip om de eenvoudige reden dat van hier uit de zeewacht (aan dek) geregeld werd maar ook omdat zich hier de scheepsomroep bevond en aan de kant liggend was hier ook de telefoon centrale die de verbinding met de wal onderhield. Verreweg het meest belangrijke was dat deze wachthut naast het officiers kombuis lag en de sergeant kok die hier de scepter zwaaide was een grote maat van mij. Ik wist altijd wat de officieren aten maar nog belangrijker, ik wist ook hoe het smaakte.
Ik stond niet veel in de wachthut maar als het stervens koud was of het regende als de hel kon je daar mooi een oppertje pikken. Op zee met slecht weer was dat vaak moeilijker omdat de wachthut maar een ingang had en deze was aan dek. In de midscheeps waar de wachthut was kwamen veel zeetjes over en was het vaak onmogelijk om de wachthut binnen te gaan of er uit te komen en in dat geval gingen we naar het dek boven de hut. Het hield in dat je op de een of andere manier altijd nat was. Het enige voordeel van slecht weer was dat je geen last had van oplopers en het onbetaalbare uitzicht wat je had . Het nadeel was dat je vier uur lang stond te sterven van de kou en de nattigheid en wat het ergste was, je kon niet bij de koffie ketel komen want die stond in de wachthut
We weten allemaal dat, meer nog op zee, koffie een heel belangrijke plaats innam zoals ook iets te eten Op mijn divisie waren beide dingen ruim voorhanden
Alls de mensen werdfen afgelost was het prettig om een bak warme koffie voor ze te hebben of eventueel soep.De soep werd meestal geleverd uit het officiers kombuis zonder dat iemand daar iets van wist. Ik had de sleutel van dat kombuis( wat ook niemand wist) Als we4 daar de soep uithaalden dan werd dit weer aangevuld met water. De officieren hadden het niet koud dus hoefden zij ook geen lekkere vette soep te eten.
Theo en ik liepen geregeld rondjes, ook met slecht weer en dan hadden vooral de sloepen en reddingsvlotten onze speciale aandacht omdat de sjorringen nog wel eens los wilden werken.
Ergens midden op de dag terwijl we weer ons rondje maakte zagen we dat een van de sjorringen van de bakboords schouw losser begon te zitten.    Er moest dus iets aan gedaan worden en wel meteen.
Tijd om rustiger weer af te wachten was er niet, het was slecht weer en het bleef slecht weer wat, volgens de berichten nog zou toenemen.
We haalden uit het kabelgat de nodige materialen op en maakten dat, zover
mogelijk, klaar om te gebruiken zodat we aan dek gekomen niet nog eens te gaan staan splitsen e.d.
Toen we aan dek kwamen waren we binnen een seconde zeik nat want we kregen meteen een zeetje over ons heen. Ik heb al eens eerder geschreven dat je met de oliekleding die destijds bij de marine in gebruik was absoluut niet kon werken. Het was zelfs te groot voor een olifant en de broek zakte steeds van je kont zodat je constant op je snuffer viel en de mouwen van het jasje sleepten over de grond. Kortom, het was te gevaarlijk om te gebruiken.
We waren aan het werk bij de Whale boot toen ik een zeetje aan zag komen over bakboord vooruit. Dit zeetje leek speciaal voor ons bedoeld want het kwam recht op de midscheeps af Ik had de indruk dat er een compleet flat gebouw op ons afkwam.
Ik riep naar Theo om zich vast te houden iets wat hij natuurlijk meteen deed. Hij had geloof ik zijn armen om de davit van de Whale boot geslagen. Ik had pech want ik kon mij nergens met goed fatsoen aan vasthouden. Vasthouden met alleen je handen was echt niet genoeg je moest werkelijk ergens je armen omheen kunnen slaan om en kans te hebben.
Ik werd door het zeetje meegenomen en sloeg met mijn kop tegen het dekhuis en was behoorlijk suf gepikt. Op de een of andere manier heb ik kans gezien om de standpijp (slang aansluiting) die bij de ingang van het officiers verblijf op dek stond vast te pakken en toen het zeetje over mij heen was kwam Theo  mij van het dek halen en bracht mij naar de ziekenboeg. Ik wist eigenlijk niet goed wat er gaande was.
In de ziekenboeg bleek dat ik een hersenschudding had en moest plat.
Ben nu nog dankbaar voor de standpijp die aan dek stond maar meer nog voor de aanwezigheid van Theo want bij het volgende zeetje was ik zeker overboord gegaan. Zonder deze twee was ik zeker gaan hemelen.
Gelukkig kon ik plat gaan in mijn eigen tampatje waar ik veel bezoek kreeg die allemaal met drank aankwamen want dat is nu eenmaal een heel goeie remedie als je ziek bent. In mijn geval was het zeker zo want na een week stond ik weer aan dek, wel met een punthoofd overigens.

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu