HrMs de Ruyter.47 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

HrMs de Ruyter.47

WILLEM GELENS 5

DE BAARD                                                                             


In geval van slecht weer had ik alle bootslui op het sloepen dek waar je redelijk droog kon staan. Ook Theo en zijn collegas stonden meestal daar of zaten in een van de sloepen les te geven aan de "takenboekers"
Sinds dit systeem van takenboekers in het leven was geroepen zag je de bekwaamheid van de matrozen hard achteruit gaan. Dit was niet direkt de schuld van de mensen alswel van het systeem. Ik herhaal het nog eens, de marine begon ineen te storten.
Aangezien wij wel met deze mensen moesten werken was het ook in ons eigen belang dat wij hen opvoeden in de praktijk. Dit was zeker van groot belang bij het werken met de sloepen en dan vooral met het hijsen en strijken hiervan. Als voorheen de bootsman b.v. zei afnemen voor en achtertakel dan kon hij er op vertrouwen dat dit goed gebeurde. Nu moest je zeggen afnemen voortakel en daar bij blijven staan zodat ze niet het takel helemaal los gooiden. Als dit klaar was dan deed je hetzelfde met het achter takel en pas daarna kon je laten vieren, in de hoop dat dit goed ging. De mensen waren onzeker en bang voor de takels. Zij durfden b.v. niet hun hand op de bolder te leggen om te voorkomen dat de slagen van de bolder slipte. Kortom het was gevaarlijk werken en dit zeker voor de mensen die in de sloepen stonden.
Bij het werken met lasten, het overgeven of overnemen hiervan was het ook een groot risico net als bij het afmeren op een boei of olieladen op zee.
Vakmanschap (zeemanschap) was er weinig of niet meer.
Ik zelf was er met behulp van Theo erg precies op ofwel zoals de Jannen het noemden we waren een paar zeikerds. We stonden erop dat ze al dit soort dingen perfect deden en lieten ze steeds weer alles overdoen tot ze er nagenoeg dood bij neervielen. Je kon hier niet aan toegeven.
Een van de bootslui had een wedden schap georganiseerd. Met een man of zes (bootslui) lieten we onze baard staan. Hij die zijn baard afschoor moest de anderen de man een kist bier geven of welke drank dan ook. Iedereen had zijn eigen model baard.
Ik heb deze baard nu nog en je kunt er van uitgaan dat ik de weddenschap heb gewonnen. Toen we  den Helder binnen liepen herkende mijn vrouw mij niet.
Shipper Bansia werd afgelost door shipper v.d.Ven. Zoals ik al eerder zei, schipper Bansia was geen slecht mens maar je had ook niet veel aan hem. Hij voerde alle orders van de commandant stipt uit zonder deze er op te wijzen dat bepaalde dingen niet mogelijk waren om de een of andere reden Wij de bootslui waren daar natuurlijk de schuld van. Als bootsman kon je heel gemaakkelijk de schipper de mist in helpen maar dat wilden wij niet omdat het een beste kerel was en het niet kwaad bedoelde. Hij was bang voor de ouwe en die maakte daar op een onbeschofte manier misbruik van.
Opperschipper v.d.Ven was totaal anders. Een heel goed vakman , heel veel mens en niet bang voor de ouwe en consorten. Hij was een kleine man maar liet door niemand over zich lopen
Dit kwam eenmaal heel goed naar buiten tijdens het middagschaften in het onderofficiers verblijf. De opperschipper (chef der equipage) zwaaide ook de scepter in dat verblijf. In de gouden bal hadden we ook een majoor “Nagi” (gevechts Informatie Dienst) Deze had een papiertje gehaald dat hij , ik weet niet wat was in de Nederlandse taal. Dit was een goeie prestatie maar hij liet zich daar te veel op voorstaan, veel te veel.
Het was zeker dat hij officier zou worden maar hij dacht dat hij het al was terwijl hij nog bij ons in het verblijf zat.
Op een middag vroeg hij of hij even een woordje mocht zeggen. Dit was zeker niet de gewoonte maar de schipper dacht dat er iets bijzonders aan de hand was en gaf hem toestemming. Hij had niets te zeggen, hij had een vraag. Hij vroeg of het niet mogelijk was dat wij een beetje meer de tafelmanieren in acht konden nemen. Er mankeerde echt niets aan onze tafel manieren en iedereen zat dan ook stomverbaasd te kijken.
De schipper vroeg of het in zijn hersens geslagen was en een majoor machinist die naast hem zat wilde hem voor zijn kop slaan. Met al zijn aangemeten maniertjes had hij er niet bij stilgestaan dat niemand deze onzin zou pikken (In de bootsman opleiding hadden wij deze zelfde vent als instructeur gehad op Navgis en daar was hij precies hetzelfde en ook daar zat hij te zeiken over de tafelmanieren bij allen onder de rang van officier)
Een hoop van de aanwezige onder officieren vroegen de schipper om de vent uit het verblijf te sturen met de woorden, wij eten niet meer samen met die onbeschofte vent.
De schipper hield even ruggespraak met een paar oudere o.officieren en gaf inderdaad de vent de order om de tent te verlaten, hij kon zijn eten eventueel meenemen.
Ook werd hem aangezegd door de schipper dat hij in het vervolg vaste ketelaar was.
(Een ketelaar is iemand die eet nadat de overigen zijn geweest) Dit is normaal als iemand, b.v. door zijn wacht of iets dergelijks niet op de normale tijd kan eten.
In dit geval was het voor deze majoor de grootste afgang die mogelijk was en het was niet de enige. Als hij 's avonds in de gouden bal kwam voor een drankje werd hem aangezegd dat dit zijn plaats niet was en de bar was voor hem gesloten. Hij was wat ons betreft dood. Iets ergers kan je niet overkomen.
Dezelfde majoor machinist zei hem dat hij later, als hij officier was , in de longroom snert kon eten met mes en vork. De klootzak.
Op zee was de Gouden bal, net als op alle schepen en ook  het korporaals verblijf, het vaste onderkomen voor de boerennacht gasten (mensen die geen zeewacht lopen)
Als je er na de hondewacht binnenkwam voor een frisdrankje o.i.d. Zat het nog stampvol met deze mensen. Het was gezellig maar wij, machinisten en bootslui konden en wilden daar niet aan mee doen Zoals als altijd veranderde dit als we ergens tegen de kant lagen. Nagenoeg iedere dag was het dan feest, vaak met burgers die door verschillende mensen werden uitgenogigd. Dit bezoek bestond vaak uit marinemensen van verschillende naties en Marva's. Het was wereldweid bekend dat de Nederlandse marine drank aan boord had en dit heel goedkoop. Een fles jenever b.v. Kostte fl. 2.20. Ditzelfde
gold voor alle sterke drank. Een gevolg hiervan was dat er in een rum cola ongeveer een vingerdikte cola zat en de rest rum. Cola was te duur voor de tapbaas.Alles werd gedronken uit bierglazen. Dezen waren gratis van de verschillende brouwerijen en dat was gunstig want er sneuvelden nogal wat op een avond.
Het bezoek lag meestal na korte tijd uitgevloerd in de stoel of op de grond. Als ze in de weg lagen werden ze ergens in een hoek gelegd.
De muziek werd verzorgd door een paar Indische jongens - Arie Pluim (bootsman) en door mij.De Indische jongens speelden altijd op de gitaar. Zij verzorgden de meer nostalgische muziek. Arie Pluim had een instrument van eigen maaksel, hij noemde het de Rampestamper. Het bestond uit een bezemsteel behangen met toeters en bellen en nog veel meertroep. Het was een kunststuk en wat belangrijk was, er kwam onmogelijk veel lawaai uit. Arie was een meester op dit instrument.
Als derde zat ik op de accordeon te trekken. We zaten allemaal in een andere hoek van het verblijf te spelen en speelden allemaal andermuziek. Iedereen zong mee op de muziek die hij het mooist vond. Als er dames bezoek was werd er ook op alle soorten muziek gedanst.
Deze feesten gingen door tot de muzikanten omvielen wat toch meestal wel lang duurde
Om kort te gaan, het waren gezellige tijden maar we waren blij als we weer naar zee gingen. Geen enkele oefening of wacht of slecht weer was zo uitputtend als deze feesten.
Op een dag tijdens het middagschaften maakte de schipper bekend dat de onderofficieren die geen wacht hadden om drie uur die middag in het verblijf moesten zijn. Natuurlijk vroegen we wat er an de hand was. De commandant wilde een toespraak houden en we zouden wel horen waarover het ging.
We zaten op de ouwe te wachten en hij kwam veel te laat. Dit was waarschijnlijk om zijn minachting tegenover ons te tonen. Het was bekend dat hij een hekel had aan alles beneden de rang van officier en dan met nadruk de onderofficieren. Het was een arrogante basterd. Wat hij niet begreep was dat wij hem in tijd van vijf minuten naar de kloten konden helpen, dit vooral tijdens oefeningen. Als een van ons ,met opzet, een fout maakte waaraan hij zogenaamd niets aan kon doen en de oefening ging de mist in, dan kreeg de ouwe het op zijn boterham en kon hij alles wel vergeten. Het enige wat ons daarvan tegenhield was dat ook de schipper af zou gaan en dat was iets wat wij absoluut niet wilden.
Eindelijk kwam hij binnen en begon tegen ons te ouwehoeren. In het begin begrepen we niet waarover hij het had. Toen vroeg hij of wij wisten wat kabouters waren. Hij bedoelde de groepering die destijds verkondigde dat we lief moesten zijn voor elkaar. Iedereen wist wat hij bedoelde maar door de domme manier waarop hij de vraag stelde waren er allerlei antwoorden mogelijk. Dit antwoord kwam van Arie Pluim. Arie stond op en zei, ik weet het.. Wij wisten allemaal dat er het een of andere rare antwoord zou komen maar dit hadden we niet verwach. Toen de ouwe tegen hem zei, nou wat zijn het zei Arie met een doodernstig gezicht, dat zijn hele kleine mannetjes met zulke grote lullen. Hij gaf de maten aan met zijn handen.
Natuurlijk schoten we allemaal in de lach. Het gevolg was dat de ouwe even ruggespraak hield met de schipper en wegging. De schipper zei dat we allemaal moesten wachten tot hij terugkwam. Het was onder andere bijna vier uur geworden en de tap werd open gegooid. We hadden iets om te vieren vonden we. Toen de schipper terug kwam zei hij tegen Arie dat hij mee moest komen naar de ouwe. Voor zij gingen zei hij nog, hebben jullie niemand gemist tijdens het praatje van de ouwe? Wij wisten het niet tot hij het zei, onze opvoeder, de majoor NAGI was er niet bij geweest en toen begrepen we dat dit degeen was die bij de ouwe was gaan klagen. Deze vent had het al moeilijk maar vanaf dat moment kon hij nergens meer zijn kop laten zien. Als hij een rondje liep over het dek dan was dit in de late uren en altijd had hij iemend bij zich. Was waarschijnlijk bang dat hij over boord geflikkerd zou worden. Iets wat iedereen graag had willen zien gebeuren, hadden we weer aanleiding gehad om een groot feest te vieren
Arie werd niet gestraft, kon niet gestraft worden , hij had op een domme vraag een antwoord gegeven en de ouwe kon het Arie niet kwalijk nemen. De majoor en hij waren er om ons op te voeden,vonden zij, en les in fatsoenlijk praten hadden we nog niet gehad

 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu