JOOP V/DER WERF 01 - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

JOOP V/DER WERF 01

SOBATHOEK

Mijn tijd in Ned.Nw Guinea



Ik was het al langer van plan, maar hier komt dan eindelijk mijn restant diensttijd. 1 jaar in Hollandia Ned.Nw Guinea en 1 jaar op hr.ms. Karel Doorman.

Van dat jaar in Hollandia ( 9 augustus 1952 – 25 augustus 1953)  heb ik een aantal herinneringen nog vrij vers in mijn geheugen zitten, maar niet in de juiste datering, want die weet ik niet meer. Ik schrijf dus gewoon op, wat er in me opkomt en dan zien we wel.  
Ik ging dus van hr.ms. "van Kinsbergen" naar het walstation JZJ 5 in Hollandia.
Dat station stond op een heuveltop aan de kust van de Indische Oceaan.  De fundamenten waar het station op stond, waren de oorspronkelijk door de Amerikanen gebouwde.  Daar had generaal Mac Arthur zijn hoofdkwartier op laten bouwen.  Na de oorlog werd het hele spul afgebroken en kwam het radiostation JZJ er te staan. Eerlijk gezegd kan ik me van de buitenkant van het station niets herinneren, behalve dat we er onze eigen rode pepertjes kweekten. We zaten nooit zonder sambal.
We zouden daar ook de stille oceaan hebben kunnen zien.  Want dat moet wel mogelijk geweest zijn volgens mijn oud- collega's. Ik heb het nooit gezien. Maar ja, wij hadden lange diensten zonder pauzes, dus wat wil je. De diensten overdag weet ik niet meer, maar de nachtdienst …… die ging van ongeveer half 12 tot de volgende morgen ergens tussen 7 en 8 uur. Dat was hard werken op dat station. We begonnen altijd met de stapel telegrammen te versturen naar Nederland, het radiostation NORA in Noordwijk.  (Nora = Noordwijk Radio) . Even voor de goede orde  De verbinding tussen Nederland en NNG kon alleen 's nachts (in NNG) plaats vinden. In de vroege avond kon je het wel proberen, maar daar kwam niets van terecht.  Dus de over het algemeen grote stapel telegrammen werd pas door de hondewacht verzonden. Ik kan echt geen aantallen telegrammen noemen, want dat wisten we zelf niet eens.  Onze taak was het snel en zeer goed leesbaar alles te verzenden. Ik weet nog heel zeker dat de stapel telegrammen best wel eens 10 of 15 cm hoog kon zijn. Dan begonnen we b.v. om 00.00 uur en pas om 05.00 waren we klaar met verzenden. Eventuele berichten uit Nederland werden op een andere ontvanger opgenomen. Maar dat waren er meestal niet zoveel. En we konden wel af en toe even een kopje koffie maken. Dat ging zo: we hadden een  electrisch komfoor, Daar werd dan een ketel water op heet gemaakt. Als het water kookte. ging de electriciteit er af en werd een bepaalde hoeveelheid gemalen koffie in het water gedonderd en na even roeren ingeschonken. Suikerklontjes hadden we ook maar melk niet. Alleen die dikke geconcentreerde melk. Maar dat maakte niet zoveel uit. De koffie was veel belangrijker.
Dit was het ontvangst-station. Daar zaten we met een man of 6, 7.  Maar er was natuurlijk ook een zend-station. Dat stond i.v.m. storingen op flinke afstand van het ontvangst-station. Daar was ook het hek met aan de andere kant de kazerne van de Papoea-politie. Op het zendstation moest altijd één telegrafist aanwezig zijn.  Niet dat er veel te doen viel, maar er konden altijd storingen optreden of een zenderfrequentie moest gewijzigd worden of zo iets en dan kon de telegrafist van de wacht precies (hoopte ie) vertellen wat er loos was. (Er was een directe telefoonlijn met het ontvangst-station) Ik heb daar heel wat eenzame uurtjes doorgebracht. Maar je had daar natuurlijk heel weinig of niets te doen, dus ik kon me volledig werpen op mijn studie voor onderwijzer, waar ik toen mee bezig was.
Het zendstation bestond uit een zeer grote quonset hut en buiten  stonden een aantal masten, want dat hoorde zo bij een radiostation van toen.
Tegen de zoldering liepen de titjaks en een tweede soort salamander, een stuk groter , (Wie kan me  nog aan de naam helpen ?)  Ik heb gezien dat ze een vliegende mier met vleugels , groter dan die kleine salamander, soldaat wisten te maken en oppeuzelden en toch nog aan het plafond bleven kleven of hoe ze dat ook doen.  Want vliegende mieren kwamen alleen naar het radiostation als er regen dreigde. Want er brandden een paar lampen buiten. De deur was nl. een metertje inpandig, zodat er een flink stuk van de zenderruimte open bleef. Was wel handig want als het regende, bleef je droog.  Als er tenminste geen vliegende mieren op bezoek kwamen. Want die kwamen dan met honderden. Ik ging dan echt wel even in de hete zenderruimte zitten, want anders dacht je, dat je een grote mier was geworden. Ik denk dat de mannen uit Indië het kunnen be-amen.  Maar gelukkig duurde zo'n nachtelijke regenbui nooit erg lang. Want de temperatuur in die zenderruimte was altijd ver boven de 30 graden. (Let wel, ik heb het over een nachtelijk uur.) Overdag was het er ongeveer 50 graden. Er stond buiten een tafeltje en één of twee stoelen, maar dat houten tafeltje werd zo heet, dat je je handen er bijna aan brandde. Ik durf te wedden, dat ik er een ei op had kunnen bakken. Maar ja, eieren waren er niet zoveel op Nieuw Guinea.

Het transport van Radiostation naar kazerne v.v. ging met een 1500 weight. Een kleine vrachtwagen, omgebouwd tot personen-vervoerder. Aan het stuur een marinier, bijna altijd dezelfde dus we kenden elkaar. Ik weet niet hoeveel kilometer het was naar de kazerne. (Wie dat weet, mag me dat graag vertellen, schrijf ik het meteen op) . De marinier-chauffeur had ons al vaker verteld, dat ie zo graag een slangenhuid mee wilde nemen naar Nederland. En op een goede dag, aan het einde van de hondewacht,  het was nog behoorlijk donker begon die marinier ineens hard te remmen en de man zag kans om z'n voorwielen precies bovenop een grote slang te zetten, die bezig was de weg over te steken. Wij dus ook op de grond en kijken. De marinier had een stuk ijzer in z'n hand en was op de kop van de slang aan het slaan toen het beest, al behoorlijk versufd, kans zag om zich onder de banden vandaan te werken. Ik heb nog nooit iemand zo snel in z'n auto zien springen contact omdraaien en de banden weer op de slang zetten. Uiteindelijk bewoog de slang niet meer.  Toen moest dat dode beest natuurlijk met ons mee . Er was één ruimte voor, de lege gereedschapskist ónder de stoel van de korporaal telegrafist naast de chauffeur. Die korporaal was een Indische jongen. Hoewel die slang echt zo dood als een pier was, durfde die korporaal niet op die stoel te zitten en vroeg of ik die plaats in wilde nemen…………  Dat wilde ik best wel. Hoe het verder gegaan is met die slang …………….. wie het weet mag het zeggen.

Ik heb toen ook leren autorijden. Ik had n.l. kennis gemaakt met de dokter van het ziekenhuis aan de haven van Hollandia. Hij woonde op "Dock 5" aan de haven, met een vrouw en een babytje van misschien een jaar. Het was nog een heel klein kindje, herinner ik me. De dokter had een Jeep.
En op een gegeven moment zei hij tegen me: "Zou jij me niet willen vervoeren ?" Hij ging nl. iedere dag met de jeep naar de patiënten. Dus toen kreeg ik rijles van de dokter. Dat had ik vrij snel onder de duim alhoewel het links-verkeer was op Nieuw Guinea.  In heb begin reed je keurig aan de linkerkant, dat was niet zo moeilijk, maar als je een zijweg in moest zat je meteen weer aan de rechterkant. In ieder geval: ik heb een hele tijd voor chauffeur van de dokter gespeeld in mijn vrije tijd. En bij terugkomst in Nederland had ik binnen één maand mijn rijbewijs op zak. Dit even terzijde.

Ook ben ik een keer met de dokter naar een kampong aan de kust gegaan, niet per auto maar met een prachtige grote prauw. Was een avontuurlijk tochtje over de oceaan.
En nog een herinnering:  Ik was op bezoek geweest in Hollandia – stad, een flink aantal kilometers van Hollandia – haven. waar onze kazerne stond.  Toen ik afscheid nam, was het al vrij laat en het noodlot sloeg toe : De laatste bus ging voor m'n neus weg.  Pech. Gelukkig had ik een zaklantaarn bij me en toen ben ik gaan lopen ……….. angstvallig het midden van de weg aangehouden want je moest echt door het oerwoud. Bewoning was er toen nog niet aan die weg. Het viel niet echt mee, die wandeling, want er zaten een paar flinke heuvels in die weg en was ongeveer 10 km. Uiteindelijk, toen het al licht werd, kwam er een jeep met een paar mariniers langs en die hebben me toen naar de kazerne gebracht.

Die kazerne stond op een heuvel aan de achterkant van Hollandia-haven. Er was een weg naar boven waar ook auto's over konden rijden, maar niet de luxe wagens, die er waren, want die haalden dat niet. Die weg was zo steil, dat je de kazerne pas kon zien op het moment dat je de laatste meter achter je had gelaten. Ik liep een keer met een aantal collega's naar boven, toen er een vrachtwagen met een oplegger passeerde. Die vrachtwagen was een Amerikaanse trekker, en op de oplegger stonden een grote hoeveelheid vaten met dieselolie voor onze eigen electrische centrale. Die oplegger was zo zwaar, dat zelfs die oersterke "Mack" stapvoets moest rijden. Hij passeerde ons groepje, maar moest even verderop stoppen, want het werd te steil. De chauffeur liet de wielen draaien, maar kwam niet vooruit. Hij vroeg ons te helpen door stenen achter de wielen van de oplegger te leggen. Dat deden we dus en even later kon de chauffeur de trekker loskoppelen en naar boven rijden. Dat was een klein stukje, misschien 50 meter, maar wel het steilste stukje van die hele weg. Boven, op de kazerne, legde de chauffeur z'n trekker vast aan een boom en gooide toen een kabel naar ons toe, om aan de oplegger vast te maken.  Het is inderdaad gelukt, de oplegger met de olie naar boven te krijgen, want de trekker was sterk genoeg.  Het was een klein avontuurtje.

Op 1 juni 1953 werd ik overgeplaatst van de "Staf" naar de kazerne. Ik was vrijgesteld van elke dienst en kreeg een speciale opdracht. Ik moest het nieuwe "Verbindingsplan Nieuw Guinea"
maken. De geschreven teksten moesten op stencil getikt worden met behulp van een gewone schrijfmachine en daarna met een stencilmachine worden vermenigvuldigd. Een eenvoudige opdracht, die ik vandaag in enkele dagen voor elkaar kan krijgen. Maar ……….. de stencils kwamen uit oude Amerikaanse voorraden. Dus een flink aantal jaren oud. En ….. in de tropenhitte. Dus wat gebeurde er: Ik moest 200 exemplaren maken van het verbindingsplan. De stencilmachine werd met de hand bediend. Dat was allemaal best te doen. Maar …. de stencils gingen na een gering aantal exemplaren kapot. Ze waren natuurlijk hartstikke versleten. Dus dat betekende : een nieuw stencil in de schrijfmachine en opnieuw beginnen met die bladzijde. Er waren ook veel bladzijden waar ik iets op moest tekenen, dus met een speciale pen …… Nou, zo'n stencil moest ik wel tien keer overmaken want die lange strepen maakten het stencil nog veel gevoeliger.  Gelukkig was ik vrij gesteld van alle andere werkzaamheden.  Maar ik werd er af en toe wel een beetje moedeloos van. De collega's kwamen me gedag zeggen, want de gingen naar Biak met een landingsvaartuig, om van een week vakantie te genieten…….  Ik dus mooi niet. Eerst verbindingsplan afmaken. Dat lukte uiteindelijk, met heel veel zweet en tranen . Ik kreeg mijn luchtdoop, want ik ging met een Dakota naar Biak. Het was inderdaad mijn eerste vliegreis. En …… ik herinner me heel goed, dat, toen het toestel opsteeg en op hoogte kwam, de motoren ineens op gewone sterkte werden gezet, waardoor het lawaai van die motoren ineens een enorm stuk verminderde. Ik dacht op dat moment:  "Net opgestegen en nou sodemieteren we alweer naar beneden". Maar dat gebeurde gelukkig niet en op Biak stond de Constellation van de KLM al op ons te wachten. De volgende dag vertrokken we naar Amsterdam, waar we 3 dagen later aankwamen. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik zo brutaal was om bij elk vertrek
in de cockpit een praatje te gaan maken en dan mocht blijven zitten tot de volgende halte. En bij vertrek van de laatste halte : Caïro, ging ik weer bij de piloten zitten en de eerste piloot schreef op een briefje : aankomst Schiphol 14.13 uur. Ik verzin dit niet, het is echt waar. En bij aankomst op Schiphol (het oude Schiphol natuurlijk) is door iemand, ik weet niet meer wie, een fototje gemaakt van de rij passagiers die uit het toestel kwam. Op die foto staat de Schipholklok, en die staat op :
14.13 uur….. We moesten ons op Schiphol melden bij enkele Marine autoriteiten en kregen daar een verlofpas met onmiddellijke ingang 2 maanden verlof met de toevoeging : "toegestaan zich in burger te begeven." Zo ging dat toen. Omdat ik in Nieuw Guinea auto had leren rijden , wilde ik een rijbewijs halen  in die 2 maanden om dan met mijn vader en moeder hier en daar naar toe te kunnen gaan met een huurauto.  Ik heb 2 weken les gehad (even wennen aan rechts verkeer) toen examen gedaan en nog 2 weken later kon ik het rijbewijs ophalen bij het provinciehuis in Haarlem. Ik heb dus inderdaad de hele maand september kunnen gebruiken om af en toe een auto te huren.

Toen het verlof afliep kreeg ik bericht, dat ik me moest melden op hr.ms. "Karel Doorman".  Die lag toen nog op zijn vaste stek in Rotterdam. Eigenlijk weet ik van de reizen met dit schip niet zo veel te vertellen. We waren met een zeer groot aantal telegrafisten, ik meen 24 man. Dat was in vergelijking met de schepen waar ik op gevaren had een hele legermacht.  Ik heb 11 maanden op dit schip mogen verblijven en vond het een fijne tijd. Ook al, omdat je naar starten en landen van de vliegtuigen kon kijken. (als je geen wacht had)  Dat gebeurde op het zogenaamde "luchtverdedigingsdek" boven de brug, dus het hoogste dek van het schip. In oorlogstijd stond het hier vol met anti luchtdoel geschut. Ik heb daar een paar gevallen van vliegtuigongelukken meegemaakt, waarvan ik me er 2 goed kan herinneren:
Een eenmotorig verkenningstoestel (Firefly) dat motorpech had gekregen en geen kans zag om de Doorman in te halen.  De piloot zette het toestel vlak achter het schip op het water.  Het was windstil en de zee zo vlak als een spiegel. De piloot opende de cockpit en ging op het toestel zitten in afwachting van de helikopter. Die kwam natuurlijk onmiddellijk en hij kon via een lijntje zo overstappen. Hij had zelfs geen natte voeten.  En als de helikopter sterk genoeg geweest was, had die het toestel nog op kunnen hijsen…….
Het tweede ongeluk was heel wat erger. Even een klein stukje theorie: Een toestel dat m.b.v. een
catapultstart vertrekt, staat met een open ring verbonden aan het dek. Deze ring breekt bij een zekere druk.  Helaas brak deze keer de ring veel te vroeg.  Maar de motor van het vliegtuig draaide op uiterst vermogen en de catapult was nog niet op spanning. Dus het toestel ging rijden , maar kon natuurlijk op die korte afstand geen voldoende vermogen krijgen en kon ook niet remmen dus, het was een heel naar gezicht, het vliegtuig ging overboord en rechtstandig omlaag het water in.  De totale lengte van de Doorman (ongeveer 200 meter) ging er overheen. Gelukkig kwam er niet veel water op dat moment in het vliegtuig. En omdat een voet van de piloot enigszins klem zat kon hij de cockpit niet onmiddellijk verlaten. Pas toen het hele schip over hem heen gegaan was, kreeg hij z'n voet los en kon hij het cockpitdak los maken. Hij kwam als een duveltje uit een doosje boven water.
Met opgeblazen zwemvest. De helikopter liet een lijn zakken maar hij had niet de kracht meer om zich vast te maken. Toen is een vliegtuigmaker uit de helikopter in het water gesprongen en heeft de piloot vastgemaakt, zodat hij opgehesen kon worden.  De jongeman moest nog even wachten op de tweede helikopter. Hij heeft later een onderscheiding gekregen voor deze feiten.

We gingen met de Karel Doorman naar Canada  en Amerika. Ik had deze reis mijn viool niet mee genomen, want we hadden de marinierskapel aan boord, die elke dag moest oefenen. En dat gebeurde dus in de hangar. Als je vrij was kon je daar altijd naar luisteren. We gingen eerst naar Halifax (Canada) daar kan ik me niet veel meer van herinneren, alleen dat de Marinierskapel daar een fantastisch concert heeft gegeven. We vertrokken uit Halifax en voeren over de St. Lawrence-rivier naar Montreal, en onderweg werden we in de radiohut op een "waarschijnlijk" nood-frequentie opgeroepen door een man, die wilde weten of de Karel Doorman nog groente en fruit nodig had. Ik weet nog best dat we elkaar in de radiohut aan zaten te kijken, omdat we niet wisten of we wel antwoord mochten geven. Ik weet echt niet meer hoe het afgelopen is, maar het feit ligt er.
In Montre
al had het publiek toegang aan boord.  Ik heb een foto waarop de mensen staan, die aan boord wilden. Het was echt een onafzienbare menigte. En natuurlijk enorm veel Nederlanders. Ze hebben voor de bemanning  een aparte valreep moeten  neerleggen, want de gewone valreep stond voortdurend hartstikke vol. We lagen aan een soort open vlakte, als ik me goed herinner, met als grens een spoordijk. Er was één viaduct, waar iedereen doorheen moest. Omdat ik bijna altijd alléén de wal op ging  (dan kon ik gaan en staan waar ik wilde) kon ik de buurt meteen achter de spoordijk gaan verkennen. En toen merkte je meteen dat er in Canada twee talen gesproken worden  Frans en Engels. (behalve de Indianentalen natuurlijk)
Ik ben in die buurt ergens binnen geroepen (waarschijnlijk vanwege het hen vreemde uniform)
maar ik kon met mijn Engels niet terecht. De familie waar ik binnen kwam sprak bijna uitsluitend Frans. Geen woord Engels, behalve een van de oudere kinderen, herinner ik me. Gelukkig was ik mijn Frans niet vergeten, dus ik kon me wel redden. Maar in de binnenstad van Montreal kon je gewoon Engels praten. Heel merkwaardig.
Toen voeren we naar New York. Maar nou moet ik even in mijn geheugen teruggaan naar de reis van de Doorman, die aan deze reis voorafging. We waren toen o.a. in Casablanca. In die tijd was Marokko nog Frans gebied en in Casablanca was een Amerikaanse marinehaven. Hoe weet ik niet echt meer, maar in Casablanca raakte ik in gesprek met een Amerikaanse matroos. Toen deze man hoorde dat onze volgende reis naar New York zou gaan, vroeg hij of ik de groeten wilde doen aan zijn vader, die in New York een kleine juwelierszaak had op Broadway, helemaal aan het begin. Ik heb natuurlijk gezegd, dat ik dat doen zou.


We lagen in New York aan Pier 26, een van de zuidelijkste steigers.
Dus een bezoekje aan de vader van die Amerikaanse matroos was eenvoudig uit te voeren. Je hoeft het niet te geloven, maar ik stapte die winkel binnen en onmiddellijk zei de man achter de toonbank:
"You must be Joop van der Werf from Holland"  Ik was echt wel verrast, maar ik ben met hem meegegaan naar z'n huis. Hij woonde aan de overkant van de rivier, dus niet in New York maar in New Jersey. Ik werd daar ontvangen als een prins, Het was een gezin met een paar kinderen, heel leuk. En toen kregen we het diner. Ken je dat, Amerikaans diner?  Een enorm stuk vlees in het midden en een paar kleine schaaltjes met wat aardappelen, groente e.d. En toen alles op was, zette de vrouw des huizes twee enorme slagroomtaarten op tafel. Het was bijzonder lekker allemaal.
Tot slot werd ik meegenomen naar het "Palissade Amusement-parc" Een soort van Efteling . De vrouw des huizes liet me kiezen uit een aantal (wat ik dacht) stukken taart. Ik kreeg een stuk en stopte het in mijn mond en ik wist niet wat ik proefde. Het was helemaal niet zoet, eerder zout. Het bleek dus een pizza te zijn. Wist ik veel, in 1953 …….. Nooit van gehoord.
Al met al was het heel pleizierig geweest met deze familie.
Ik heb nog meer herinneringen aan New York. Als de Doorman in een vreemde haven kwam, was de eerste persoon, die aan boord kwam, de telefoonmonteur. Die kwam een telefoon aansluiten zodat  we met de stadstelefoon konden werken. Ik was chef telefooncentrale, dus ik liet de radiohut voor wat ie was en ging in de telefooncentrale zitten. Het was echt heel leuk om daar te zitten. Om de haverklap werd er gebeld en 9 van de 10 keer hoorde je een Nederlandse stem, die Nederlands probeerde te spreken. Dat ging vaak heel fout, maar was toch leuk om te horen. En een veel gehoorde vraag was:  "Weet u iemand, die bij ons op bezoek zou willen komen ?" Nou, ik wist altijd wel iemand, kostte me geen moeite. We hadden de metro voor de deur. Ik had ook een grote plattegrond van New York (heb hem nog)  Dus toen een paar jongedames in "street 155 West" belden en vroegen of ik zin had, hen een bezoekje te brengen zei ik natuurlijk "Heel graag", maar ze konden niet goed uitleggen  hoe ik bij hen moest komen. Dank zij die kaart kon ik ze tot hun grote verbazing exact uitleggen met welke metro's ik moest reizen en waar ik moest uitstappen. Ze begrepen er niks van. Maar het was heel gezellig. dat wel. We zijn ook in het beroemde theater Radio City Music Hall op Broadway geweest, Daar werd eerst een film gedraaid, daarna was er een dansfeest op het enorme podium en daarna nog een film.  Je was bijna een hele middag zoet.
En als we dorst hadden, konden we altijd een van de vele militaire tehuizen binnen lopen. Daar waren de drankjes gratis. Ze hadden daar enorme koelboxen, vol met ijswater en daar dreven de flesjes in. Heerlijk ijskoud en kostte niets.
Ook zie ik nog in mijn gedachten het enorme vliegkampschip "President Roosevelt" langs varen. De Karel Doorman werd ineens heel klein.
Dit zijn mijn herinneringen aan de Karel Doorman en New York.






 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu