JOOP V/DER WERF - Zeeuwse-Navy-Seals

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

JOOP V/DER WERF

SOBATHOEK

Mijn Marine tijd als Radio Telegrafist van 1948 t/m 1954
      Joop van der Werf


Commentaar krijg ik heel graag. Mag best afbrekend zijn.
 
Ik zal me eerst even voorstellen :
Ik ben Johan Otto Henricus van der Werf, roepnaam Joop, geboren 5 februari 1930 in Amsterdam, waar ik nog steeds woon. Net als velen van jullie, ben ik betrekkelijk kort na de oorlog in (vrijwillige) dienst gegaan. Alleen in mijn geval bij de Koninklijke Marine. Op 24 mei 1948 heb ik in Voorschoten een "verbintenis aangegaan bij de zeedienst"
wat een prachtige zin. Het jaar daarvoor had ik bij de P.T.T. in Amsterdam een opleiding tot telegrafist gevolgd, was met goed gevolg geslaagd en deed dienst op de internationale verbindingen. Een grappig detail : bij de opleiding hoorde ook een cursus "typen". Alle berichten die binnenkwamen moesten op de schrijfmachine getikt worden, dus het was een behoorlijke cursus. En toen we net begonnen waren met de opleiding, kwamen er twee korporaals telegrafist naast ons zitten, want die moesten straks als instructeur typen de marine-telegrafisten in spé onderwijzen. Toen ik een jaar later me aanmeldde bij de Koninklijke Marine (ik was toen volwaardig telegrafist van de P.T.T.) moest ik netjes de hele opleiding van de K.M. volgen. Dat was dus inclusief de type-opleiding, die gegeven werd door de korporaal telegrafist met wie ik samen het typen had geleerd ..................... Het enige onderdeel van de opleiding die ik niet bij de P.T.T. gekregen had, was de theorie, b.v. hoe je een zender kon bouwen of een ontvanger. Dat was wel interessant, de rest wist ik allang.

Na de opleiding werd ik geplaatst bij de Mijnendienst in den Helder. Dat was 20-09-49. De mijnendienstkazerne was nog niet klaar, dus had de marine van de Engelse Navy een "Liberty schip" geleend, dat als mijnenveegmoederschip dienst deed. Dat was Hr.Ms. "Vulkaan". Op 16 januari 1950 was de kazerne klaar en ging de "Vulkaan" terug naar Engeland. Je zou kunnen zeggen: wat moet een radio-telegrafist nou op een kazerne? We hadden toen een respectabele vloot aan mijnenvegers, want er viel heel wat te vegen in 1949. En elke mijnenveger had een telegrafist aan boord. Over het algemeen gingen alle mijnenvegers 's morgens om 09.00 uur varen en kwamen dan om 17.00 weer terug in de Buitenhaven van den Helder. Dat waren dus ongeveer 30 schepen. Dan was er altijd wel een telegrafist, die niet mee kon. En daarvoor waren wij ingehuurd. Ik heb in dat jaar "mijnendienst" zo ongeveer alle mijnenvegers wel gehad, denk ik. De marine had toen 3 types mijnenvegers, allemaal van buitenlandse origine, De mickeys waren oorspronkelijk Engelse vissersschepen, door hen omgebouwd tot mijnenvegers. Een merkwaardig herkenningpunt was de mast, die in tegenstelling met alle andere schepen, op het voorschip stond. De BYMS (Brooklyn Yard Mine Sweepers)  waren Amerikaans-Engelse schepen en de R – boten waren oorlogsbuit, dus oorspronkelijk Duitse Schnellboote, omgebouwd tot mijnenvegers. De Nederlands gebouwde mijnenvegers kwamen een aantal jaren later pas. Het enige Nederlandse schip bij deze vloot was de "Douwe Aukes" een vooroorlogse mijnenlegger, die dienst deed als mijnenveegmoederschip, toen de Vulkaan vertrokken was. Het was een van de laatste "stoom"schepen van de K.M. Toen de mijnenvegers opdracht kregen de zee bij het eiland Borkum (een Duits wadden-eiland) schoon te vegen, ging de Douwe Aukes mee als moederschip. Dus dat betekende kolenladen in Rotterdam……… Ik was de enige telegrafist aan boord en de radiohut was vlak bij de kolenbunker. Dus je kunt je wel voorstellen hoe de hut van binnen er uit zag, toen het kolenladen gebeurd was.  We hadden wel grote zeilen opgehangen en dat hielp wel, maar slechts een heel klein beetje. Ik had nog nooit een schilderskwast in mijn handen gehad, maar kreeg nu de opdracht de radiohut opnieuw in de grijze verf te zetten. Dus dat betekende voor mij:  één keer indopen en dan 2 keer heen en weer met de kwast en dan weer indopen. Kun je je voorstellen dat die verf heel veel tijd nodig had om te drogen ?  We voeren dus met de Douwe Aukes naar Borkum en bleven daar gezellig in de haven en ik kon weer wachten op zieke telegrafisten, die dan vervangen moesten worden. Eerlijk gezegd, weet ik er niet veel meer van dan ik nu verteld heb.

En toen kwam de vervelendste tijd van mijn diensttijd: op 1 augustus 1950 werd ik geplaatst op hr.ms. Piet Hein, dat was een oorspronkelijk Engelse torpedobootjager, de "Serapis". Op dit schip heb ik heel veel meegemaakt en misschien geen prettige ervaringen. Maar dat is eigenlijk een verhaal apart.. En als landmachtman weet je waarschijnlijk niet, wat er aan boord van een oorlogsschip allemaal kan gebeuren. Je zult er versteld van staan.
Het is eigenlijk een verhaal over een commandant, die denkt dat ie Jesus is.  Het betreft hier KLTZ A.P. Smitt, geboren in 1907, dus hij zal dit verhaal niet meer kunnen lezen, neem ik aan. (KLTZ= kapitein-luitenant ter zee, aanspreektitel Overste, maar aan boord :
Commandant )

We vertrokken op 17 aug. 1950. Het reisplan was: Azoren, Curaçao, Panamakanaal, Acapulco (Mexico), San Diego (Californië) Honolulu, Nieuw-Guinea (5 maanden) Singapore, Colombo, Aden, Suezkanaal, Napels, den Helder.  Op zich een prachtige reis, maar volledig bedorven door het gedrag van de commandant. Elke week verschenen er mededelingen op het bord met alle mogelijke vreemde zaken:  Het was verboden om via de bakboordstrap naar de bak of naar het hoofddek te lopen, want dan passeerde je de patrijspoort van de commandant en dat mocht niet, behalve bij alarmoefeningen.  De commandant had twee schildwachten bij zijn deur staan, eentje boven en eentje beneden aan de trap.
Ik stond een keer bij de kombuis, te praten met een paar jongens. (De kombuis liep van bak- naar stuurboord, met aan weerskanten een waterdichte deur) Collega - telegrafist Douwe Folkerts zat in de deuropening met de kok te praten.  De commandant kwam langs de trap naar beneden en iedereen moest onmiddellijk in de houding gaan staan. Douwe kon die commandant onmogelijk zien, maar hij werd mooi op zijn schouder getikt: Kun jij niet in de houding gaan staan, als de commandant langs komt! 
Deze man zag in de kortste keren kans zich onmogelijk te maken.  We voeren van Ponta del Gada (Azoren) naar Curaçao en toen de kust van Zuid-Amerika bijna in zicht kwam, kreeg de roerganger opdracht om 180 graden te draaien en we voeren dus weer terug richting Azoren.  Ik weet niet meer hoe lang dit geduurd heeft, maar zeker enkele dagen. Toen weer terug naar koers richting Curaçao. Op Curaçao gebeurde er iets vervelends voor mij persoonlijk, want daar werd mijn fototoestel gestolen. Ik had het vlak voor vertrek in Amsterdam gekocht en net 1 rolletje vol geschoten. Gelukkig had ik dat rolletje er uit gehaald. maar het betekende dus wel, dat ik van het verdere verloop van die reis geen foto's meer heb. Het gebeurde n.b. in het katholiek militair tehuis in Willemstad. Ik had mijn pet op tafel gelegd toen mijn collega's vroegen of ik zin had in een spelletje tafeltennis. Dat had ik dus wel en ik legde mijn fototoestel op de tafel en mijn pet er over heen. Dat vond ik slim van mezelf, maar toen we terugkwamen van het tennissen lag mijn pet nog netjes op tafel, maar het fototoestel was verdwenen helaas. En nu schiet me weer iets te binnen over Willemstad. Op het pleintje, vlak bij de pontjesbrug, was een ijs-automaat. Een paar munten ingooien en er kwam een ijsje te voorschijn. Dus ik gooide een paar munten in het ding. En er gebeurde .... niets. Dan wordt je een beetje boos en ik gaf een schop tegen het apparaat. En meteen verloor het ding een voorraadje munten en paperclips en knopen. Ik kon ik ieder geval bij een andere automaat een ijsje nemen.  
Van Curaçao voeren we door het Panamakanaal naar Acapulco (Mexico). En de commandant bleef de bemanning bestoken met alle mogelijk berichten van hem. Je werd er helemaal gek van. Gelukkig hadden we wat muziekinstrumenten aan boord, zodat we een klein bandje konden vormen. Ikzelf was toentertijd violist. Weliswaar klassiek opgeleid, maar ik kon de deuntjes van toen best meespelen. En als piano hadden we het orgeltje van Vlootaalmoezenier Pater Kamerbeek. Deze man is een paar jaar geleden op Curaçao overleden. Hij is zijn hele leven bij de marine betrokken geweest.
Van Acapulco heb ik nog een schrijnende herinnering. We lagen aan een kade en daarvandaan zagen we een groot hotel op een heuvel. (Tegenwoordig is Acapulco één groot hotel, maar ik schrijf 1950.) We gingen dus via de straatweg om de heuvel heen naar boven. Het bleek al gauw, dat dit hotel veel te duur was voor ons, dus we wilden terug. Maar omdat we de Piet Hein beneden konden zien liggen aan de kade, besloten we om langs de heuvel naar beneden te gaan. Het was niet zo steil. Maar wie schetst onze verbazing, toen we ontdekten, dat er een heleboel mensen woonden in die heuvel. Overal zagen we gegraven gaten met een doek er voor. Dat waren tot onze stomme verbazing woonplaatsen. Niet te geloven. Een paar meter boven hun hoofd stond het duurste hotel dat je maar denken kon.

In Acapulco kregen we het eerste geval van desertie. Toen we vertrokken naar San Diego, hadden we 2 man minder aan boord.  De namen weet ik niet meer uit mijn hoofd, maar ze staan opgetekend in het scheepsjournaal van de Piet Hein, dat ik gelezen heb in het Rijksarchief in den Haag. Niemand weet hoe het met die 2 verder gegaan is.
Van Acapulco voeren we naar San Diego (Californië). Het is nog steeds een van de grootste marinebases in Amerika. Toentertijd lag hier de mottenballenvloot, een onafzienbare hoeveelheid schepen.
Je kunt je voorstellen wat voor temperatuur het hier was. Ver boven de 30 graden. Maar ...................... San Diego ligt boven de kreeftskeerkring en dus zei de commandant: Blauw tenue. We lagen aan een pier en iedereen wilde dus graag de wal op. Maar bevel van de
commandant: "Eerst schip schoonmaken door alle hens" Dus wij met ons allen, ook de telegrafisten, schip schoonmaken. Iedereen deed natuurlijk z'n uiterste best.  De eerste officier ging de wal op met de schipper, gewapend met een verrekijker en vanaf de volgende pier werd het schip bekeken. En wat denk je: "afgekeurd, opnieuw".
We hadden nog steeds zin om de wal op te gaan, dus vooruit dan maar.................. Tweede keer : "afgekeurd, opnieuw".  Kun je je de stemming aan boord voorstellen? Ik herinner me flauw, dat we met z'n allen in het verblijf zijn gaan zitten en daar op de tafel hebben geramd: "Wij willen stappen".

Uiteindelijk mocht het. De mensen in San Diego waren zeer vriendelijk voor die Hollanders. Ikzelf werd op straat aangeroepen door een man in een auto: "Where you from…."  Hij heeft me een stukje van Californië laten zien. Ook zagen we in de radiowinkels  TV toestellen, volkomen onbekend voor ons. We werden nog uitgenodigd in een TV-studio maar we hebben niet voor de camera gestaan, behalve mijn pet, die wel.  In San Diego werden we door de U.S. Navy uitgenodigd om op het toneel van de Y.M.C.A. onze "kunstjes" te laten zien. Ik dacht, wat kan me gebeuren, en ik heb op dat toneel een paar stukjes gespeeld voor viool en piano, (er was een Amerikaanse pianist). Toen we vertrokken uit San Diego, waren er weer 5 man minder aan boord. We voeren naar Wilmington (de voorhaven van Los Angeles) om olie te tanken en daar werden die 5 man door de FBI aan boord gebracht. Ze hebben geluk gehad, dat de commandant ze mocht bestraffen. Welke straf weet ik echt niet meer.

We voeren naar Hawaii. Nog geen halve dag onderweg, (ik had geen dienst op dat moment) stond er een hofmeester commandant voor me: van der Werf moet bij de commandant komen. Als de hofmeester zoiets vraagt, kan het niks ergs zijn, dus ik ging met hem mee.  Zegt de commandant tegen me: "Ik heb jou in San Diego viool horen spelen, weet je dat ik cello speel?" Dat wist ik dus echt niet. "Ga zitten, wil je een glaasje cola"  Kunnen jullie je voorstellen, dat ik me hoogst opgelaten voelde ?
Enfin, hij heeft voor mij (en ik weet het zeker) het eerste deel van het celloconcert van
C. Saint Saëns gespeeld.  Als ik er nu over nadenk, kan ik er nog steeds niet bij:
zo'n rotvent...............  en zo prachtig cello spelen. De volgende dag of misschien twee dagen later liet hij me weer roepen. Nu voor een ander cello - concert.  Kun je je voorstellen, wat de jongens in het verblijf er van zeiden.  Ik heb dus de stoute schoenen aangetrokken en tegen hem gezegd dat ik liever niet meer naar hem wilde luisteren, omdat ik anders een eenling in het verblijf zou worden.  Waarschijnlijk als "musici onder elkaar" heeft hij dat goed gevonden en ik werd niet meer bij hem geroepen. 

Tot Hawaii en het vervolg van de reis naar N.N.G. heb ik niet veel te melden. 't Ging allemaal z'n gangetje. Alleen van de mededelingen van de commandant werd iedereen horendol. Wat of hij nou ermee wilde bereiken was ons niet duidelijk, wel was het duidelijk dat onze Majoor tlg. de Bruin met de commandant samenwerkte. Elk moment moesten we dekwerkzaamheden verrichten. Dat heb ik op geen enkel ander schip meegemaakt.
We voeren eerst naar het eiland Kwajalein, Daar in de buurt was de eerste proef met een atoombom geweest. We mochten niets uit zee opvissen en zwemmen was helemaal verboden. Een beetje griezelig vonden we het wel. Maar het duurde niet lang, we voeren weer verder nu naar Hollandia. In N.N.G. begon de pret helemaal. Eerst moet ik even vertellen, dat een van de weinige dingen, die goed waren aan boord, het eten was. We hadden een korporaal kok, die was op de oude Karel Doorman privé kok geweest van Prins Bernhard op een reis naar Curaçao.  Dus het schaften was elke dag een klein feestje. Met Kerstmis 1950 lagen we in een baai aan de Zuidkust van N.N.G. En toen kwam er een mededeling van de commandant, die niemand begreep: "Met Kerstmis krijgen we op de bak met alle opvarenden een Kerstdiner." We konden onze ogen niet geloven, maar het stond er echt. (mogelijk in andere bewoordingen, maar déze boodschap!)  We begonnen al tegen elkaar te zeggen: "Zou die ouwe toch een hart hebben". Nou, nee dus, want een dag later kwam er een bericht: "Het feest op de bak gaat niet door!!" Kun je je voorstellen, dat er een begin van muiterij ontstond ? Iedereen legde zijn werk neer en we zaten met z'n allen te praten over dit bericht. 
Ook de onderofficieren kwamen bij de manschappen melden, dat dit geen werk was. Het hele schip gonsde van de berichten.
Uiteindelijk heeft de commandant eieren voor zijn geld gekozen en de 1e officier naar het korporaalsverblijf gestuurd om zijn excuses aan te bieden aan allemaal en mede te delen dat het feest op de bak doorging.  En ik moet zeggen, dat het een heel fijn feest is geworden, dat weet ik me nog goed te herinneren. Alle bemanningsleden door elkaar, inclusief de officieren. (Mind you, het was in 1950)
Korte tijd later lagen we in Hollandia. De mannen die er geweest zijn kunnen zich vast nog wel "base G" herinneren (op z'n Engels uitspreken) Dat was het enige strand, waar je kon zwemmen omdat daar geen haaien konden komen vanwege het rif. De commandant ging daar 'n keer zwemmen, en ook 2 vrienden van me, een telegrafist en een matroos. Deze twee waren een eind verder de zee in dan de commandant, toen deze man ineens kramp kreeg. Het was daar ongeveer 2 meter diep, dus daar kon je wel staan, maar dat was lastig met ademhalen. Dus de man riep om hulp. En wat er toen gebeurde, is eigenlijk kenmerkend voor de hele situatie aan boord van de Piet Hein.  De twee jongens hoorden de commandant roepen, ze zijn teruggezwommen en hebben de commandant aan weerskanten gepasseerd zonder een hand uit te steken. Het is werkelijk gebeurd. Gelukkig voor de commandant hoorde een jonge officier, die op het strand was, hem ook roepen en die heeft hem gered. De twee jongens kwamen aan boord en gingen gelijk naar mij toe, omdat ik een beetje een vertrouwenspersoon was. Ik heb ze verteld, dat dit gedrag niet goed te keuren is maar wel te begrijpen. De volgende dag werd de valreep tijdelijk afgesloten en is de commandant het hele schip afgegaan en heeft hij aan iedereen gevraagd: "Heb ik jou gisteren niet op base G gezien." Niemand natuurlijk.
Ik heb nog wel meer herinneringen maar die zijn een beetje vaag geworden in de loop der jaren en die kan ik eigenlijk niet opschrijven, Maar als iemand soms een bemanningslid van de Piet Hein van die reis spreekt, dan kan die hem misschien nog andere bijzonderheden vertellen. Wel weet ik nog heel zeker, dat ik op de terugreis in Colombo weer eens een bakkie kreeg, Een paar dagen verzwaard arrest, door te brengen in het kabelgat. Ik herinner me nog als de dag van gisteren, dat we in Colombo lagen en ik natuurlijk niet de wal op mocht, maar in het kabelgat moest zitten. Welke temperatuur daar heerste weet ik niet meer, maar het was nog net geen kookpunt. Ik wilde een brief schrijven aan me meissie, maar dat ging niet, omdat het zweet van mijn vingers afliep en terecht kwam op het dunne luchtpostpapier. En samen met de inkt uit m'n vulpen (want de balpen was nog niet uitgevonden) werd dat een onleesbaar zootje.
Het laatste geval wat ik wil noemen was het verbod om aan bakboord langs de hut van de commandant te lopen en dan de trap af te gaan. Toen we op de thuisreis waren  ... ik denk in de Middellandse zee, kregen de matrozen opdracht om de stengen van het tentdek te verwijderen. Een van die mannen was de laatste matroos, die nog een baard had. En deze man kreeg opdracht om de steng weg te halen op de hoek van het bakdek (dus bij de hut van de commandant). Deze zag de matroos bezig en - je hoeft het niet te geloven - hij wilde de man op parade slingeren vanwege overtreding van zijn gebod. Ik heb deze matroos een jaar of tien geleden ontmoet bij een reünie van de Piet Hein.  Hij wist zich dit voorval nog zeer goed te herinneren. Uiteindelijk werd door bemiddeling van de schipper, die de opdracht aan hem gegeven had geen straf gegeven en hij hoefde ook niet op parade te komen. De matroos vond het leuk, dat ik het nog wist en hij voegde er aan toe: "als de commandant mij had gestraft, was ik tot aan het hooggerechtshof gegaan om kwijtschelding te krijgen". Dat hoefde dus niet. 11 mei 1951 waren we weer thuis.

Toen was het de beurt aan Hr.Ms. "van Zijll" Van 12 juli 1951 tot 10 januari 1952 heb ik op dit schip gevaren. Het was van oorsprong een Amerikaans fregat, Dit schip was kort daarvoor uit Amerika gekomen en werd de eerste van de "van Amstel" klasse. Wij begonnen op 12 juli met de eerste zeereis van de "van Zijll." Die schepen hadden een vrij hoge opbouw en dat betekende, dat je bij een beetje zeegang + harde wind meer onder dan op water voer. We hebben met dat schip in de storm gezeten, waar ook de "Flying Enterprise" in voer. Kun je je dat nog herinneren, dat was in 1951. De zwaarste storm die ik ooit heb meegemaakt. Op de brug van de "van Zijll" hing een clinometer, een aanwijzer voor de slagzij van het schip. Die meter ging van 60 graden stuurboord naar 60 graden bakboord. En ik heb naar dat ding staan kijken: De wijzer kon niet verder, maar hij ging echt van uiterst links naar uiterst rechts en dat gedurende twee volle dagen. Radioberichten uitzenden of ontvangen ging ook niet. De lucht zat vol met water. Radioseinen konden daar niet door Ik herinner me nog heel goed, dat er in de radiohut twee telegrafisten lagen "dood te gaan"; die jongens waren zo zeeziek, ze lagen in de ruimte achter de zender bijna boven op elkaar. Ze konden echt niets meer. Maar op het moment, dat we de slagzij kwijt waren, was de zeeziekte ook over. Heel merkwaardig, ik had het eigenlijk eens aan een dokter moeten vragen, hoe dat nou zit. Het heeft met het evenwichtsorgaan te maken, dat weet ik wel. Gelukkig had ikzelf helemaal geen last. Het enige wat we niet hadden was: warm eten.  De ketels, waarin het eten werd bereid, konden door de hevige zeegang niet gebruikt worden. Alleen de koffiemachine, die werkte wel, gelukkig  En de commandant gaf opdracht dat de voorraad Cornflakes (want het schip was net terug uit Amerika en had Amerikaanse voorraden aan boord) uitgedeeld moest worden. Iedereen aan boord kreeg zo'n hele grote doos Cornflakes. Dan hadden we tenminste iets te eten. Ik heb jarenlang geen cornflakes meer kunnen "zien".
Het was verboden om aan dek te komen. Gelukkig konden we benedendeks overal komen door de whalegang. Het was een lange smalle gang, herinner ik me. We liepen dan met de armen over elkaar en lieten ons door het schip heen en weer gooien. Toen we eindelijk in den Helder terug waren konden we zien hoe het aan dek er uit zag. De schade aan dek was aanzienlijk, bakboords motorsloep was verdwenen en in de waterkering van kanon 1 zat een scheur van zeker 30 cm. En dat was geen stalen plaat van 1 mm of zo. Het kanon zelf was ook helemaal ontzet. Wij hadden op dit schip in tegenstelling met de andere schepen "vaste" bedden (tampatjes in marinetaal) Dat wil zeggen dat die aan de scheepswand vast zaten met twee kettingen. 's Morgens kon je dan je bed met behulp van een haak opklappen. Je zult je best wel een beetje kunnen voorstellen, hoe of die 60 graden slagzij op de mannen inwerkte: het ene moment de scheepswand afhouden en het volgende moment de kettingen vasthouden, anders viel je voor dek. Slapen ging alleen, als je de ouderwetse hangmat bij  je had en dat was bij bijna niemand het geval. Na twee dagen zag de commandant kans om, ondanks de nog steeds harde wind, feilloos den Helder aan te varen (dat is de marineterm:  een specifieke route moeten volgen).  Dat was om een uur of 9
's morgens. We kregen toen over de scheepsomroep een bericht van de commandant persoonlijk: "Verlofgangers tot en met Amsterdam kunnen nu vertrekken, de anderen : verplicht slapen." Het vreemdste bevel, dat ik ooit gehoord heb.
 We maakten ook een reisje naar Odda. Dat plaatsje ligt aan het einde van de Sognefjord
Veel herinner ik hier niet van behalve die ene Noor, oud-militair uit de wereldoorlog, Hij
nodigde me uit om samen een heuvel te beklimmen. (één van de zeer velen) hoeveel meter
dat was .......??  maar in ieder geval, toen we halverwege waren (er was geen weg naar boven)  kreeg ik er eigenlijk genoeg,van dat klimmen. En net toen ik dat aan die Noor
wilde vertellen, kwam hij met een verhaal van een zeeman, die met hem naar boven wilde
klimmen en die man (de slappeling !) had halverwege gezegd, dat ie er mee stopte en weer
naar beneden wilde. Ja, toen moest ik wel volhouden. Eigenlijk was het klimmen nog het
gemakkelijkste onderdeel, want naar beneden gaan, was eigenlijk nog veel moeilijker
dan het klimmen. Toen ik eindelijk beneden kwam kon ik alleen nog maar heel langzaam
lopen, zo'n pijn deden m'n voeten..........

En dan komt hr.ms. "van Kinsbergen" in zicht. Op 16 januari 1952 werd ik op dat schip geplaatst. We vertrokken op 12 februari 1952 naar N.N.G. Als commandant hadden we de  Kltz. Agelink van Rentegem. Best een aardige man, zeker in vergelijking met de commandant van de Piet Hein.
Op dit schip hadden wij, de telegrafisten  Piet Schoor, Henny Riksman,
Jan Benjamins, ondergetekende en Kpl.tlg Wagenaar de mooiste radiohut van de hele marine. Niet omdat ie zo groot was of iets anders maar alleen maar omdat die radiohut helemaal in z'n eentje op het hoogste dek van het schip stond, boven de brug. Er kwam nooit iemand, behalve de telegrafisten. Hij was betrekkelijk klein natuurlijk, maar er was twee dekken lager een tweede radiohut genaamd de zendhut, waar de zenders stonden. We vertrokken uit Nieuwediep met de Marinierskapel op de wal, die het Wilhelmus speelde. Dat was echt wel een ontroerend moment, want je wist nooit precies wanneer een schip weer thuis zou varen. Enfin, op de Noordzee kwam de commandant de radiohut binnen en vroeg of wij echt telefonisch verbinding met Nederland konden maken. Wij zeiden natuurlijk jawel Commandant en ik ging naar beneden om de zender op de telefonie-frequentie te zetten. Toen ik weer boven kwam hoorde ik de commandant zeggen: "Ja hoor, het is maar een grapje."  Hij had een telefoongesprek van 30 sekonden met z'n vrouw gehad. Als ik me goed herinner, woonde hij in Middelburg.
 
Een paar dagen later voeren we op de Middellandse Zee en daar bleek, dat de bottelier niet goed had ingekocht. Hij had nog steeds een flinke voorraad margarine en die moest natuurlijk eerst op, voor we aan de tropenboter konden beginnen.  Zie je het voor je:  boter met een lepel uit de kom halen en dan je boterham vochtig maken met die boter.  Het duurde gelukkig niet zo lang.
 
Inmiddels stond er in de zendhut een kleine verzameling apparaten in dozen. We waren wel nieuwsgierig en Sgt telegrafist Vos kwam uitleggen wat het allemaal was.
Een grote 16 mm filmprojector en twee loudspeakers. Het geheel bestemd om films op de bak te vertonen. Die films stonden inmiddels ook in de zendhut. Maar de sergeant was slim.
(dacht ie) Hij zei: denk er aan, we hebben aan boord 220 Volt en dit apparaat werkt op 110 Volt. Er hoort dus een transformator bij, en die bewaar ik in mijn hut. Er kan dan niets gebeuren met de apparatuur. Goed sergeant, zeiden wij braaf en hij ging met de transformator naar z'n hut. Alleen jammer, dat de goede man zijn radiohutten niet kende.  Want onder de tafel, waar de T.C.S. op stond. zat een gele contactdoos waar met gele cijfers boven stond 110 Volt. Wat moesten wij nou met een transformator. Dus wij aan het bestuderen van het apparaat en al gauw hadden we het door. Ik werd aangewezen als film-operateur (in de zendhut wel te verstaan) en we probeerden het uit.  Piet Schoor zat boven in de radiohut en wij in de zendhut. We hadden een spreekbuisverbinding met boven. Dus een seintje naar Piet en die kwam met de sleutel naar beneden en deed de zendhut aan de buitenkant op het grote hangslot. Je moet er nu niet aan denken wat er had kunnen gebeuren met het schip. Dan hadden we als ratten in de val gezeten. In ieder geval gelukte de eerste proef helemaal. Het was alleen even lastig om de stekker te veranderen iedere keer en soms zei de sergeant wel eens: "Hoe kan dat toch, dat die stekker los zat......... " Maar verder ging het prima. Op een gegeven moment wisten een aantal mannen van onze voorstellingen. Want als we een haven binnen liepen was er altijd een wisseling van films. Enfin, dit bleef geweldig leuk lopen. Elke week een keertje filmvoorstelling. Natuurlijk niet meer achter slot en grendel, want we werden een beetje roekeloos. Er waren zelfs een paar jonkers (adelborsten in spé) die er van wisten en af en toe kwamen voor de voorstelling. Die was natuurlijk 's middags, want dan ging de rest van de bemanning plat, behalve de wacht.

We hebben dit vol kunnen houden tot en met Nieuw Guinea. De van Kinsbergen moest na aankomst in Hollandia (21 maart 1952) regelmatig patrouille varen en ik werd pas op 9 augustus aan de wal geplaatst dus je kunt je voorstellen dat we heel wat filmvoorstellingen hebben gegeven. Tot ................... ik had aan een matroos en een seiner beloofd, om film te draaien dus die 2 jongens zaten in de zendhut en ik begon. Nog geen 5 minuten draaide de film en toen ging ineens de deur open en sergeant telegrafist Vos stak z'n hoofd om de deur. Ik weet nog precies, dat hij zei : "Opruimen". Meer niet. Dus toen was het abis film draaien. De sergeant heeft me tot zeker 5 uur laten wachten voor er iets gebeurde. De kpl konstabel kwam boven: van der Werf bij de O.S.& O. officier komen. Die goede man ging tegen me keer, dat was niet mooi meer. In ieder geval heeft hij en ook de sergeant tlg nooit geweten, dat die voorstellingen al maanden duurden. Ze waren er van overtuigd dat dit de eerste maal was. Enfin ik kreeg 5 dagen streng arrest, door te brengen in de gevangenis van Kota Baroe (Hollandia stad) Het was natuurlijk vervelend, maar te dragen.  Als ik me goed herinner was het een kleine cellengang met een stuk of 6 cellen. Een ruime gang en flinke cellen. Er waren maar 2 cellen bezet, eentje door een marinier en eentje door mij. We zaten naast elkaar. We konden elkaar niet zien, maar we hadden papier en pen en speelden dus voortdurend het beroemde "zeeslag" . Grappig, Je kon elkaar niet zien, alleen horen. Het heeft de marine nog heel wat gekost, want we kregen drie maal per dag eten, dat werd ergens klaargemaakt en dan door een K.M. jeep met een marinier aan het stuur naar de gevangenis gebracht. 
Ik weet nog wel, dat ik kort daarna weer een bakkie kreeg en dat de commandant tegen me zei:  Als ik je nou nog een keer bij me zie, dan haal ik je strepen er af. Ik had geen idee, of de goede man dat zomaar zou kunnen doen. Ik stond bekend als een zeer goede telegrafist en een hele slechte militair.  Kort hierna gingen Hennie Riksman en Piet Schoor zeilen. Er lagen in Hollandia twee BM zeilboten van de Marine, die door ons gratis gehuurd konden worden. Ik had de wacht, dus ik moest aan boord blijven. Ik zag het scheepje aankomen. Dat ging betrekkelijk langzaam, want - de Nieuw Guinea gangers weten het nog wel - in de voormiddag was er nooit wind die kwam pas om 3 uur. Altijd zeewind, dus de roeiers moesten zien dat ze omtrent die tijd bij de ingang van de baai waren, want dan konden ze pas gaan zeilen, terug naar de haven. Enfin, Piet en Henny zwaaiden naar me en ik zwaaide terug, maar we konden elkaar niet toe roepen. Dus, ik was heel slim en ik ging naar beneden naar de brug, en maakte daar de grote seinlamp vrij en we begonnen een gesprek, ik met de seinlamp morsetekens geven en zij met korte en lange zwaaien voor het witte zeil. Je hoeft het niet te geloven, maar we hadden een gesprek. Tot ik even naar achteren keek en daar de officier van de wacht, Ltz 3 van Pelt, heel belangstellend naar mij zag kijken. Ik was eigenlijk een beetje vergeten, dat die seinlamp nogal wat lawaai maakt. En op het schip was helemaal geen lawaai, dus .................... de korporaal konstabel, kwam naar boven: v.d. Werf bij de officier v.d. wacht komen. Enfin, Mr. van Pelt wilde me een bakkie geven maar toen ik hem vertelde dat de commandant m´n strepen eraf zou halen, zei hij, ga dan maar die seinlamp opruimen en niet meer doen. Gelukje dus.
Kort daarna werd ik overgeplaatst naar het radiostation Hollandia, waar ik een vol jaar heb gezeten.  

De resterende 2 jaar van mijn diensttijd komen apart.
Dat betreft dus een jaar op Ned. Nieuw Guinea en  een jaar op de "Karel Doorman
Joop van der Werf




 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu